Soms ben ik ontzettend blij met de uitgebreide inkijkexemplaren die Google Books biedt. Dan kan ik een boek lezen waarvan ik vooraf weet dat ik het niet helemaal zal lezen, want sommige boeken zijn even goed als gekmakend. Maar ik kan wel zien wat de schrijver doet.
Beste voorbeeld: László Krasznahorkai. Nobelprijswinnaar van vorig jaar. Moeilijke naam, moeilijk proza, interessant en afstotend tegelijk. Nergens een punt te bekennen.
Afgelopen weken verschenen er lovende recensies over zijn meest recente boek: Afscheid van Zsömle, vertaald zoals altijd door Mari Alföldy. In Trouw gaf Lieke Kézér (evenveel streepjes in haar naam dan in die van de Hongaarse schrijver, ze heeft Hongaarse grootouders) toe: Ik kan niet ontkennen altijd met een licht gevoel van weerzin aan zijn romans te beginnen.
Dat gevoel deel ik. In de Revisor publiceerden we ooit een kort verhaal van Krasznahorkai. Heel mooi verhaal, maar ondoordringbaar. Bij de tiende komma was ik het verhaal al kwijt en bij de twintigste komma dook er alweer een nieuw verhaal op. En toch werkte het en plaatsten we het.
Nieuw boek, en dus een inkijkexemplaar. Lezen. Eerst las ik deel 1, vlot daarna kwamen ook andere delen op Google Books te staan. Mooi. Ik las over een oude man, honden die allemaal Zsömle heten, dorpelingen, de koning…
Maar vooral las ik één zin, en dan probeer je te ontdekken hoe de schrijver die ene zin opgebouwd heeft, hoe de perspectieven wisselen, hoe hij dialoog gebruikt, gewoon gescheiden door komma’s. En die komma’s zijn soms totaal functioneel en soms gewoon punten vermomd als komma. Het begin van deel 4:
Vandaag nemen we u mee, oom Józsi, zeiden ze de volgende keer tegen hem, het was weekend, hij dacht dat die dag net zo zou verlopen als alle andere, maar het werd anders, want hij moest zich netjes aankleden, er werd aangeraden om de kleren, de mantel en de hoed en de laarzen aan te doen die bij de Ridderorde hoorden, dus zo ging hij in de tweede van de vier auto’s zitten, die kriskras rond zijn huis geparkeerd waren, de overbuurman had ook meteen geroepen: het is hier geen parkeerterrein, wilt u die auto’s onmiddellijk wegzetten, we gaan al, zei hij met een gebaar naar de overbuurman, en die riep met een grimmig, rood aangelopen gezicht: oké, omdat jij het bent, maar het is hier geen parkeerterrein, al ben jij het, en mopperend liep hij weer zijn huis in, en weg waren ze, ze reden de kronkelige bergweg af, hij zat achter in een zwarte Volkswagen, Sigray reed, Szávoszd-Uvas zat op de bijrijdersstoel en hij was ervoor verantwoordelijk dat oom Józsi comfortabel zat, hij vroeg of hij water wilde, of het glas schoon was, het hoefde niet, zei hij, hij kon wel uit de fles drinken, geen poeha, hij had nooit poeha gekend, en hij hield er ook niet van…
Ik tik dit over omdat ik dan de zinnen en de gebeurtenissen en wat er gezegd wordt en door wie iets gezegd wordt kan volgen, en ik denk twee dingen: zo wil ik ook schrijven, meteen gevolgd door: dit wil niemand lezen. En tegelijk vraag ik me af hoe dit geschreven is, hoe deze schrijver overzicht heeft weten te behouden in deze poging de lezer te desoriënteren. Want als dit zo nog pagina’s doorgaat, en dat doet het, dan weet je als schrijver op een gegeven moment echt niet meer waar je bent. Dit is een spel tussen schrijver en lezer waarbij de schrijver niet toont dat hij soms ook zelf de lezer van zijn eigen teksten is. Hoe doet hij dat? In excel? Met scrivener?
En leestekens, iedere schrijver gaat er anders mee om. Krasznahorkai weigert een punt te zetten, Saramago schrijft een komma gevolgd door een hoofdletter, Faulkner liet zijn maffe ik-vertellers doorratelen zonder interpunctie, er zijn schrijvers die liever geen aanhalingstekens gebruiken, waaronder ikzelf. Daarom moet ik bij het lezen van deze eindeloze passage van Krasznahorkai denken aan een recente lezersrecensie over mijn thriller: Jammer dat er leestekens ontbreken; dat leest wat lastig. Probeert u ook deze vertaalde Hongaarse zinnen zonder punt, zou ik willen zeggen.
Maar goed, Krasznahorkai. Het leest lastig, ik wil het wel lezen. Ik tik over en ga ermee aan de slag:
Vandaag nemen we u mee, oom Józsi, zeiden ze de volgende keer tegen hem.
Het was weekend. Hij dacht dat die dag net zo zou verlopen als alle andere, maar het werd anders, want hij moest zich netjes aankleden.
Er werd aangeraden om de kleren – de mantel en de hoed en de laarzen – aan te doen die bij de Ridderorde hoorden.
Dus zo ging hij in de tweede van de vier auto’s zitten die kriskras rond zijn huis geparkeerd waren.
De overbuurman had ook meteen geroepen: Het is hier geen parkeerterrein. Wilt u die auto’s onmiddellijk wegzetten?
We gaan al, zei hij met een gebaar naar de overbuurman.
Die riep met een grimmig rood aangelopen gezicht: Oké, omdat jij het bent, maar het is hier geen parkeerterrein, al ben jij het. Mopperend liep hij weer zijn huis in.
En weg waren ze. Ze reden de kronkelige bergweg af. Hij zat achter in een zwarte Volkswagen. Sigray reed. Szávoszd-Uvas zat op de bijrijdersstoel en was ervoor verantwoordelijk dat oom Józsi comfortabel zat. Hij vroeg of hij water wilde, of het glas schoon was.
Het hoefde niet, zei hij. Hij kon wel uit de fles drinken. Geen poeha. Hij had nooit poeha gekend, en hij hield er ook niet van…
Veel zinnen kunnen op een nieuwe regel beginnen, soms is een streepje handig, voor die hoeft helemaal geen komma, tussen grimmig en rood hoeft geen komma, bij dialoog volgt een hoofdletter, soms gewoon een punt, soms kan er een woordje juist weg; vooral hij wordt veel herhaald, juist vanwege die komma’s. Nu wil ik geen Nobelprijswinnaar redigeren of becommentariëren, ik wil alleen zijn tekst kunnen lezen, door de barricades heen die hem deels de Nobelprijs opgeleverd hebben. Dit overtikken en overdenken en op de enter-knop drukken en wat sleutelen is voor mij als gewone lezer de enige manier om oom Józsi in die auto te zien stappen. Doe ik dat niet dan ben ik voor het gesprekje over het parkeren al afgehaakt.
Ik weet, dit nieuwe stukje leest hakkelend en het bedwelmende ritme vervaagt, maar wel met het idee dat de lezer onderscheid kan maken tussen wat er gebeurt, wie wat zegt, wat de schrijver toevoegt, wat de sprongetjes in de tijd zijn. En weg waren ze, kan prima op een nieuwe regel beginnen, na het gesprekje met de overbuurman. Maar dan valt die uitroep van de overbuurman niet weg in de tekst, dan voelt de lezer eigenlijk dat die uitroep veel minder belangrijk is dan de handeling: het meenemen van die oom Józsi.
Door het aaneenknopen van al die losse zinnetjes wordt alles gelijkgetrokken, en dat zal Krasznahorkai als onderliggend idee hebben. De overbuurman die iets lulligs roept is even belangrijk dan die automerken, dan wie er rijdt, dan de oom. Dat is een aardig idee, ieder woord weegt even zwaar. De lezer moet dan echter wel zelf gewicht aan de woorden toekennen. Dus: deze schrijver geeft de lezer een stevige opdracht mee.
In een interview dat in Het Parool aangehaald werd zei Krasznahorkai: De figuren van mijn romans willen dringend iets vertellen, hier passen alleen komma’s, geen punten. Ergens anders zei hij dat mensen niet spreken in korte zinnen. Het zijn verantwoordingen voor het schrijven van een erg moeilijke tekst die als ik hem lees me steeds het gevoel geeft dat die tekst geschreven is als gewoon proza waarna alle punten zijn vervangen door komma’s – sorry voor die lange zin zonder komma’s. Anders zou de schrijver zelf de draad kwijtraken, en daar wordt geen boek beter van.
Het is zoeken naar hoe Krasznahorkai juist de vaart en handeling en dialoog uit elkaar weet te houden tijdens het schrijven, en daar heb ik hem in geen enkel interview een uitspraak over horen doen. Als hij met The Paris Review spreekt komen er vreemd genoeg een heleboel punten voor in zijn eigen zinnen, want zijn gedachten zijn bondig en strak. In dat gesprek wil hij wel duidelijk zijn.
Het blijft even irritant als fascinerend, dit proza. Ik zal zijn boeken niet aanschaffen, wel zal ik af en toe een leesfragment openen en steeds ongeveer anderhalve pagina proberen. Ik zal stukken overtikken en uit elkaar trekken en denken: ja, nu kan zelfs ik het lezen. Daarnaast zal ik me niet stom voelen omdat ik het niet kan lezen en ik zal me niet laten beïnvloeden door recensenten die schoorvoetend toegeven dat Krasznahorkai’s boeken een beetje moeilijk zijn om vervolgens te juichen bij het bedwelmende effect dat zijn boeken hebben – als je maar doorzet.
Dat is een oud fenomeen: boeken die je in de kast moet hebben staan omdat iedereen zegt dat ze geweldig zijn. Proza waar je op feestjes in culturele kringen indruk mee kunt maken, omdat je het helemaal uit hebt gelezen. Ik schaar me bij de groep die ontzettend veel moeite heeft met de boeken van Krasznahorkai maar wel probeert vat te krijgen op de manier waarop ze geschreven zijn. Dit is geen proza voor lezers, dit is proza voor schrijvers. Een bepaald slag schrijvers.
