Deze zomer was Gerbrand Bakker bij me op bezoek. Ik zeg het verkeerd, hij was met zijn man en hondje bij ons op bezoek, gezin van vier, want mijn dochter zat op Kreta. Gerbrand heeft een huis in de Eifel dat ik twee keer bezocht heb, de laatste keer vorig jaar, en toen we daar bij Gerbrand in de tuin aten nodigden we hem en zijn man uit om bij ons te komen eten. Zo gezegd, zo gedaan. Ik wilde alleen weten of ze vegetarisch waren. Gerbrand antwoordde: Meestal wel, alleen kip soms. En ik herinner me die kippenstoof van het kerstdiner…
Het eerste wat Gerbrand zei toen hij binnenkwam: Jij kan echt niet schrijven! Hij was nooit in dit huis geweest, en er wel stukjes over gelezen. En daaruit had hij een heel ander beeld opgemaakt dan dat het was. Het hofje, de houten gevel, de benedenverdieping, de keuken, de tuin die net helemaal veranderd was met groot terras en zonnescherm. Niks deed hem denken aan de stukjes die ik erover geschreven had. Dus had ik het allemaal verkeerd opgeschreven. Toen we eenmaal aten, geen kip maar pasta met vis (ik zet niet graag iemand twee keer hetzelfde voor) begreep ik dat ik eigenlijk nooit over ons huis geschreven heb.
Ik schrijf over houtzagen, over boompjes, over de schuur met het kleine werkbankje, over de fietsen die ik repareer, over de kamers en de klusjes die het vraagt. Ik schrijf over werken aan een huis, over het handelen. Dat geeft de lezer de kans, blijkbaar, om daar zelf een huis bij te denken, en dat is geen modern huis met een vaatwasser, elektrische kookplaat van vijf pitten, een zonnescherm met afstandsbediening, een vide op de eerste etage. Ik schrijf niet over ons huis, ik schrijf over een boerenschuur, en dat is misschien waar ik in gedachten altijd nog ben.
Ik wist dat Gerbrand en zijn man om vijf uur gin-tonic drinken. We hadden precies om vijf uur afgesproken en dus had ik een fles gin en een fles tonic gehaald, met limoen. We aten wat, we kletsten wat, we hielden elkaar op de hoogte van de liefdesperikelen in het land van de letteren. Mijn oudste zoon schoof ook aan bij het eten en vroeg of de hond niet honger had. Dat kon zijn, ze hadden geen brokjes mee. Dus mijn oudste zoon vroeg of de hond salami mocht. Ham was beter. Dat gaf hij de hond, ze werden dikke vrienden.