Op de warmste dag die week zaten we aan een riviertje van een meter of vijf breed, zacht stromend, onophoudelijk, vergezeld van een geluid dat geen moment eentonig werd, zoals muziek die zich steeds herhaalt en geen variatie lijkt te hebben maar toch niet verveelt of irriteert.

Ik had brood gemaakt, met Franse kaas en salami, zeer dik brood, zelf gesneden. Voor onze zoon stokbrood in een papieren zak en een pot choco. Ook had ik een mes in mijn tas gestoken. En twee flessen water, een boek, mijn bril, de kaart. Ik moest mijn pet niet vergeten, mijn pet tegen de zon.

Het was die dag meer dan dertig graden. We wilden niet wandelen. De dag ervoor hadden we met moeite water gevonden, precies op de grens van België en Frankrijk – de rivier over en daar was Frankrijk. Ook daar geen bereik. De telefoon bleef in mijn broekzak. De kaart verving Google Maps – want geen bereik.

Hier hingen takken van loofbomen over het water, was er een brug die vervallen was en toch deel van wandelroute nummer 15, maakte onze zoon een dam met stenen en takken, het water kabbelde door. Er zwommen vissen, veel hele kleine, een paar redelijk grote. Die wandelkaart bekeek ik heel vaak. Het gaf me richting, beeld van de heuvels door de hoogtelijnen, idee van water en autowegen. Dat laatste betekende hier zeer smalle wegen, meestal met asfalt.

Toen we een zitplek hadden op grote stenen en boomwortels en ik probeerde te lezen, dacht ik aan het land waar ik opgegroeid ben, waar alles vlak is, waar takken en bomen worden klein gemaakt en opgestookt, waar ik ook een plek wil maken om te kunnen zitten in de schaduw van de takken, misschien een veranda.

Daar is wel bereik. Daar wil ik via starlink internet aanleggen. Daar wil ik zelf die bomen omzagen en klein maken en opstoken. Daar kan ik schrijven. In de zon die net tussen het loof door kwam droomde ik van dat land. Bereik betekent ook: bereikbaar. Kun je er komen? Kun je er aarden? Is het haalbaar? Ik wist de antwoorden.

janvanmersbergen