Via via kreeg ik te horen dat een groot filmproductiebedrijf verhalen zocht. Het thema was sport. In die periode begeleidde ik mijn dochter drie keer per week naar de turnhal in Ookmeer, waar ze een plekje in de turnselectie van haar had weten te veroveren. Tevens speelde in die periode, net na mijn scheiding, een op zijn zachts gezegd wat lastige omgang met mijn ex, waar dat turnen van onze dochter een rol in speelde. Dus ik zei tegen het filmbedrijf: Ik heb een verhaal.

Werk maar uit, was de bemoedigende reactie. Dat deed ik, in een verhaal van 1.500 woorden opgedeeld in zes scènes. De titel was: De Nobelprijs voor turnen. Het ging over een meisje dat natuurlijk volledig voor het turnen gaat, ze is een jaar of elf. Haar vader brengt haar naar alle trainingen omdat het voor haar moeder te ver is. Zij zoet geen mogelijkheid haar te brengen. Haar advies naar haar dochter is: Ga maar streetdance doen, dat is hier om de hoek.

Deze autobiografische elementen verpakte ik in een verhaal waarbij in me concentreerde op het meisje. In iedere scène stond haar beleving centraal. Ze trainde, er kwam een wedstrijd aan, er was niets dat zij liever deed. En natuurlijk: troubles door die scheiding. Het was een samengebald verhaal, niks buiten de driehoek dochter – vader – moeder.

Al snel nadat ik het aan het filmproductiebedrijf mailde kwam er een reactie. Naast allerlei korte complimenten de suggestie: Kan er ook voetbal in. Want hier bij ons team zit een jongen die op redelijk niveau voetbalt. Weliswaar bij de amateurs, maar toch. Het leek ons mooi als dat er ook in kan.

Ik was zo verbijsterd dat ik direct de opdracht ingetrokken heb. Geen nieuwe versie, geen verhaal, geen turnen, geen gebroken gezin. Ik wist niet wie die voetballer was, ik wist alleen dat hij geen plekje kon krijgen in mijn verhaal. Hij moest zijn eigen dramatische verhaal maar schrijven. Dat was het einde van de synopsis. Het begon veelbelovend, delen van het verhaal heb ik later voor een roman gebruikt. Hieronder de openingsscène.

*

Iris komt de kleedkamer uit, een schoenveter nog los, maar haar kleren verder allemaal in orde en helemaal zelf aangetrokken. Over haar schouder hangt haar tas, in haar hand heeft ze een papier.
‘Ging het goed?’ vraagt haar vader, die in de vensterbank bij een van de grote ramen op haar wacht.
Ze knikt kort, geeft hem het papier en zegt: ‘Er komt weer een wedstrijd.’
‘Dat is mooi.’
Iris lijkt te twijfelen, haar vader ziet het wel maar reageert niet. Hij wil haar laten praten. Als er iets is, praat erover. Dat zegt hij vaak tegen zijn dochter, en ook nu ze naar de trap lopen en hij zijn pas inhoudt om haar voor te laten gaan en wacht hij geduldig en zwijgzaam tot Iris zegt wat er is. Dat doet ze met een vraag:
‘Ben ik dat weekend bij jou?’
‘Ik zal even kijken.’
Hij vouwt het papier open, scant de tekst op een datum, die vetgedrukt is, haalt zijn telefoon uit zijn broekzak en zoekt zijn agenda op.
‘Dan ben je bij mama.’

janvanmersbergen