Via verschillende kanalen bereikte de schrijver het nieuws dat er een feestje zou zijn op een even unieke als sjieke locatie: een boot. De schrijver werd uitgenodigd door een andere schrijver die weer de schrijver van de boot kende. Iedereen kent elkaar, dat is het probleem niet, het gaat om het via via. In het stamcafé spraken we over die wegen. De beroemde columniste was door dezelfde schrijver uitgenodigd, maar vroeg zich af of de locatiemanager wel op de hoogte was van die uitnodigingen. De schrijver vond het allemaal prima. Hij had direct gezegd dat hij er bij zou zijn.
Die zaterdag was het best een prettige kalme zomeravond. Geen dertig graden meer, al zou de temperatuur gauw omhoog gaan. Op het dek van het schip, waar alles smal en schuin was, stond een picknicktafel. Daar pasten acht schrijvers op, minstens. Er werden een paar stoelen bij gezet, sommige schrijvers bleven staan. Er kwam ook via via wat ander volk, even goed volk, maar geen directe schrijvers: een docent Nederlands, iemand van de boekhandel, een van de vaste bezoekers aan de literaire avonden in café Helmers, een recensent. Er zou gedanst gaan worden.
De schrijver danste nooit meer. Dat zat zo: hij dronk geen alcohol meer. Dat beviel hem prima, maar zijn lijf, waarvan hij voorheen meende dat het prima in beweging te krijgen was met een paar deuntjes, zat op slot. Hij was de enige die zich niet over kon geven aan wild en rumoerig dansen in het ruim van het schip, waar volgens de schrijver vroeger zand en kolen hadden gelegen. Dus de schrijver probeerde te praten, met die paar mensen die ook soms niet dansten, die toekeken of een drankje inschonken.
Die drankjes gingen superhard. Er was bier en wijn en vooral gin-tonic. Die laatste mix zat in slappe papieren bekertjes en werd zo’n beetje half om half ingeschonken zodat het dansende groepje, dat slechts uit een stuk of vijftien mensen bestond al gauw één dampende dronken menigte was. Alleen de succesvolle jonge schrijver in het witte shirt (iedereen droeg donkere kleren) was nog enigszins aanspreekbaar, en de beroemde columniste was getraind en gewend, dus daar kon de schrijver mee praten. Het was een geweldige avond.
Die week erop kreeg de schrijver maar liefst vier appjes met vragen over wie wie was en zo. Eerst vroeg de schrijver in het wit hoe de docente ook alweer heette, toen vroeg degene van de boekhandel hoe die ene vrouw in het korte spijkerbroekje met de tattoo heette, daarna vroeg de beroemde columniste hoe de man ook alweer heette met het donkere pak aan, en als laatste een van de dronken dansende zwetende schrijvers die wilde weten hoe het ook alweer zat met de schrijver die iedereen haatte.
De schrijver legde het allemaal op zijn gemak uit, via de app. Hij dacht vooral terug aan het moment waarop hij een verhaal vertelde en er iemand bij kwam staan die dat verhaal onderbrak. Dat had die gast eerder gedaan. De schrijver wist het nog precies. Er was iets aan deze eigenaardige schrijver, die een beetje slinks onopvallend was maar ondertussen wel over te vinden was, dat hij in gezelschap een verhaal kon tenietdoen. Dat was het. Hij kwam er bij staan en het maakte hem niet uit wat er verteld werd, hij nam de situatie over. De schrijver herinnerde zich de andere keren en voelde zich niet helemaal lekker bij deze situatie. Hij besloot er wat aan te gaan doen.