De meeste thrillers zijn in de derde persoon geschreven. Dat is logisch: een thriller staat of valt bij informatie die de lezer wordt gegeven. In de derde persoon kan de schrijver het beste doseren. Een ik-verteller die in de verleden tijd het spannende verhaal uit de doeken doet en daarbij steeds al weet hoe het af zal lopen voelt vreemd, dus is de tegenwoordige tijd een oplossing. Precies wat Harlan Coben in het eerste hoofdstuk van Naar huis doet, vertaald door Martin Jansen in de Wal.
Dat verhaal begint met een jongen van zestien op een tippelplek, een soort tunnel. De jongen is tien jaar vermist geweest – zo meldt ook de cover, en dat is niet het enige. Er waren twee jongens vermist. Deze verteller wil ze allebei vinden. Goed vertrekpunt, een opening met direct actie, en bovendien een zeer vlotte ik-verteller. Maar wie is die verteller? Dat meldt de ik-verteller zelf natuurlijk niet.
Wat ik-vertellers bij kunnen dragen aan thrillers: een bepaalde onbetrouwbaarheid. De verteller die meer weet dan de lezer, en daarmee speelt. Omdat de verteller een rol in het verhaal heeft, omdat er andere belangen spelen, een betrokkenheid. Dat voedt de emotionele lading van de vertelling die een derde persoonsverteller doorgaans niet heeft.
In dit boek van Coben betreft het een verteller die de lezer aanspreekt. Waarschijnlijk vraagt u zich nu twee dingen af. Om vervolgens die twee dingen, die ik me helemaal niet afvroeg, ook te vertellen. Of als hij zijn kleding beschrijft, allemaal dure merken, te zeggen: Een echte dandy, vindt u niet? Dat vond ik ook.
Het zijn vertelmaniertjes die horen bij een ik-verteller, en die prettig zijn omdat personage en tevens verteller een bondje smeden met de lezer. De scènes die hierna volgen, in de derde persoon, zijn totaal anders, en pas in de laatste regels van het eerste hoofdstuk blijkt dat de compagnon van Mylon Bolitar, Cobens meest bekende hoofdpersoon, aan het woord was. Hij heet Win.
Van waar de betrokkenheid van Bolitar en Wim? Waarom volgde zijn compagnon Win de tiener? En natuurlijk: Hoe gaan ze de jongen, die zojuist weer verdwenen is, opsporen? De lezer weet door die korte ik-vertelling van de betrokkenheid, dus het verhaal is gelanceerd, met veel vaart en handeling.
De verdere hoofdstukken precies een ander perspectief: een beschrijvende derde persoon in de verleden tijd. Coben laat zien. Myron en Win gaan die jongen opsporen. Actie, handeling, weinig beschouwing. Maar dus wel weet je als lezer van de betrokkenheid van vooral Win bij de vermissing. Een van die jongens is zijn neefje. En de moeder wil er vanaf zijn. Liever nog hoort ze dat haar zoon gevonden is, dood, dan dat ze nog langer in onwetendheid moet verkeren. Zie daar: het zoekmotief.
En steeds hou je ergens in je achterhoofd dat eerste hoofdstukje vanuit Win als ik-verteller in je hoofd. Het is allemaal heel soepel en vlot gedaan. Actie, vreemde decors, een vervelende misdaadorganisatie met hightech slimmigheid, twee interessante helden, humor… een echte moderne thriller die vooral gericht is op tempo, vertel- en leesplezier.
De dialogen hebben iets van Bruce Willis in een actiefilm: op belangrijke spannende momenten je onkwetsbaarheid benadrukken door nog even iets gevats te zeggen. Dat doen Myron en Win doorlopend, ook als ze met elkaar in gesprek zijn. Dit is het uitgelezen moment op politiek correct te zijn, als ze het over een vijand met donkere huidskleur hebben. Of: Hij hobbyt wat in de prostitutie, mijn term, niet de hunne.
Het is entertaining, het is soms ook vermoeiend omdat juist de kwetsbaarheid en betrokkenheid van de twee helden het boek diepte geeft. Onschendbaarheid is saai. Al gauw lees je er overheen – je wilt de actie volgen en de vraag beantwoordt zien of ze de jongens gaan vinden, en redden.
