In mijn archief kwam ik een verhaal tegen dat ik schreef voor tijdschrift Strak. Ik weet niet of dat blad nog bestaat. Waarschijnlijk niet. Het verhaal was uiteindelijk de basis voor mijn eerste thriller.
Charlotte
Op de tweede dag van de vakantie vond mijn dochter een boekje in de rivier. Ze was met haar broer aan het spelen, hij stapelde stenen op, ze maakten een dam. Toen dreef het boekje voorbij. Net voor de brug had ze het te pakken. Het was een schriftje met een harde groene kaft. Lijntjespapier. Het was doorweekt.
Haar broer zei: Gooi weg die rommel.
Maar zij wilde het meenemen en dat deed ze, ze hing het niet boven de houtkachel die haar vader iedere avond liet branden in het huisje. Ze liet het drogen aan een draad die ze tussen haar bed en het raam spande, op haar kamer. Ze was bang dat haar vader ook zei dat ze het boekje weg moest gooien.
De papieren droogden heel langzaam, het duurde een dag.
Ze haalde het boekje van de draad en sloeg het open, alleen in haar kamer. Op de eerste bladzijde stond een naam geschreven: Charlotte.
Daaronder haar leeftijd: 8 jaar.
En ze zei tegen zichzelf: Net als ik.
Ik kon haar horen door de dunne muren van het huisje maar ook verwachtte ik dat ze dat zou zeggen. De woorden zaten al in mijn hoofd.
En toen ging ze lezen. De eerste regel was: Ik schrijf iedere keer na het eten een dubbele bladzijde en pas na het eten sla ik de bladzijde om en maak ik weer een dubbele bladzijde. Als iemand dit ooit leest dan moet die ook steeds na het eten één dubbele bladzijde lezen. Leest-ie meer dan vervagen de woorden want ik gebruik toverinkt.
Ik riep haar voor het eten, ik had broodjes gemaakt met knakworst. Ze at heel snel. Ze zette haar bordje op tafel en zei dat ze naar haar kamer ging.
Op de eerste bladzijde las ze: Ik hou van je ik vind je lief papa is jarig papa is lief. Van Charlotte voor papa.
Op de linkerpagina een tekening van een meisje en een man.
Net als ik, ging het door het kleine mooie jonge hoofdje van mijn dochter. Mijn zoon keek tv.
Ze las verder, het onderste deel van die bladzijde. Na nog een tekening stond er: Ik ben heel gelukkig met mijn papa en met mijn broer ze zijn heel lief. Mijn familie is… En daarachter was een hartje getekend.
Er stond ook een datum bij: vorige maand.
Het schriftje ging verder naar ze las niks, ze dacht aan de inkt.
Ik riep haar voor het avondeten. Aan tafel vroeg haar broer of ze dat natte vod nou weggegooid had. Ze zei ja maar we konden aan haar zien dat ze het schriftje bewaard had.
Jij hebt dat stinkding nog, zei haar broer.
Nietes, zei ze en ze keek naar haar bord.
Na het eten hielp mijn zoon met de afwas en zij ging naar haar kamer en op de volgende opengeslagen bladzijde las ze: We gaan met vakantie. Ik ben hier nu twee dagen en twee nachten er is hier niks te doen ik hoop dat iemand met me wil spelen.
Mijn dochter vroeg me voor het naar bed gaan of er hier meer vakantiehuisjes zijn. Ik zei haar: Dat weet je toch, want ik had haar verteld dat er in het dorpje verder niks is, het zijn veertien huizen en er is een voetbalveldje en de rivier, en we kunnen er wandelen in de heuvels en dieren kijken en vissen, maar verder is er niet veel. heb ik je verteld.
Maar ik wil wel met iemand spelen, zei ze.
En je broer dan?
Die is stom. Die doet stom.
Dat weet ik maar hij is wel je broer en volgens mij hebben jullie het vandaag wel leuk gehad toch?
Ze knikte. Ik deed de lamp uit en ze ging slapen. Tenminste, ik ging de kamer uit, net als thuis, en zij knipte de lamp boven haar bed weer aan en las opnieuw het dagboek van het meisje dat ook acht jaar oud is.
