In de auto op de terugweg van de Ardennen, vanaf de zuidelijkste punt van de provincie Namen, zag ik een mier over mijn broek lopen. Hij zat bij mijn knie, maakte een bocht, zocht mijn heup op. Ik wreef hem weg, ergens naar het matje op de vloer.
Een minuut of tien was het kalm, reden we gewoon op de snelweg met Luik in het vooruitzicht, tot ik iets voelde kriebelen in mijn nek. Ik wist meteen: die mier.
Hij was er natuurlijk nog, mieren zijn heel sterk en een klein tikje of een val doet ze helemaal niets. Ze zijn onverschrokken, worden nooit moe, bewegen onophoudelijk en blijven maar komen en je lastigvallen, als ze je eenmaal lastig willen vallen.
Dus ik wreef ook in mijn hals en het gekriebel verdween, maar nu ik eenmaal besef had van een mier in de auto zou die mier altijd blijven terugkomen. En dat gebeurde. In mijn zij. Bij mijn rechtervoet net boven mijn sok, later op mijn achterhoofd tegen de hoofdsteun. De mier was overal.
Hij kwam dus uit de Ardennen. Daar was hij op een of andere manier in de auto gekomen. Via mijn rugzak, vermoedelijk. Die diende als drager van water en brood, koek, en zet ik overal op de grond, in bos en bij de riviertjes die we opzochten. Daar zitten de mieren.
Een van die verstekelingen was deze mier, en die ging nu op weg naar Amsterdam, in onze auto. Dat moet een geweldige shock zijn voor een levend wezen, maar een mier doet ook dat helemaal niks. Hij komt opeens op een andere plek, een reis voor een mier zoals voor een mens van de aarde naar Mars, en hij leeft gewoon driftig door.
Wat hij zal doen: in mijn broekspijp kruipen in de auto. Ook als hij dagenlang daar heeft moeten wachten. Ik rij zelf niet, ik rij alleen mee, en we gebruiken die auto niet zo vaak, maar hij zal op me wachten en mij bekruipen als het zo ver is. Hij zal er zijn.
Morgen gaan we op pad, met de auto. Dan weet ik dat die mier er is. Het kriebelt nu al. Ik kan mijn broek in mijn sokken proppen, ik kan lange mouwen aandoen, een pet op. Ik kan me insmeren met anti-mier. Die ene kleine dappere mier uit de Ardennen zal er zijn.
