Als ik mijn fiets op slot zet dan kijk ik of de merel in de struik bij de buren zit.
Er zitten oranje besjes aan de struik, en stevig blad.
De merel is zwart.
Hij zit iedere dag te fluiten op een van de takken die horizontaal lopen.
Op één been.
Ik doe voorzichtig met het beugelslot.
Geen tik tegen het frame.
Het slot hangt, ik zeg nog iets tegen de merel.
Vogel, zeg ik.
Hij weet waarschijnlijk niet dat hij een vogel is, maar hij hoort me wel.
Hij is vooral bang.
Hij bouwt een nest, denk ik.
Soms scharrelt er een bruine merel aan de voet van de struik, het vrouwtje.
Nooit zit het vrouwtje op de tak.
Ik kijk naar de duiven op het platte dak van de school achter mijn huis en naar de halsbandparkieten die groen en krijsend in de boom zitten, ook achter mijn huis. In de zomer, vanaf mijn balkon.
Ik kijk naar de eksters die alleen opereren en mussen die altijd in groepjes zijn, ook in de tuin, en ook op het dak en ook aan de randen van de uilenhokken in de dierentuin waar dode kuikens op een platte steen liggen, ook soms een muis erbij.
Die vogels zijn allemaal bang, en mij geven ze rust.
Dieren achter de glazen wanden of achter het gaas van Artis kijken futloos en somber, al vul ik dat zelf in.
Laatst liet een aap zijn kont zien.
Zijn hand erop.
De merel doet dat niet, die is echt bang, die kijkt alleen naar mij om weg te kunnen vliegen, als dat nodig mocht zijn.
Hij moet kunnen vluchten.
Ik schrijf over vluchten, zeggen ze.
Maar eigenlijk schrijf ik over de vlucht als een beginpunt, daar start het verhaal, om vervolgens op zoek te gaan naar verbondenheid.
De merel wacht en kijkt en is totaal niet verbonden met mij, dat zit alleen in mijn gedachten.
Hij fluit, maar niet naar mij.
Naar dat vrouwtje dat op de grond scharrelt of achter een auto langs over de stoep met een takje in haar bek.
Zijn oog is zwart met langs de randjes geel.
Ik zeg ‘oog’ want ik zie steeds maar één oog.
Heel mooi diep zwart.
De aap laatst in de dierentuin, zijn kleur ogen kan ik me niet herinneren.
Hij keek wel naar me en hij maakte contact, maar ik ben zijn ogen vergeten.
Hij liep weg, op zijn dooie gemak.
Geen vlucht.
Het contact was marginaal.
De merel, als hij weg is dan mis ik hem.
Die aap is er altijd, of hij ligt te slapen, of hij zit ergens te eten.
Die komt wel weer voorbij.
Maar die merel, is die er morgen ook?
Is hij er straks nog?
In het vluchten schuilt het vluchtige, en in de spanning van het niet-contact maken schuilt de verwachting.
Mensen zijn net vogels, zijn net apen.
Ik zoek contact en moet me beschermen, dat heb ik geleerd, al moest ik er veertig voor worden.
Vluchten is soms gewoon weglopen, zoals die aap.
Beschaafd weglopen.
Fluiten tot de ander te dichtbij komt en de vlucht ingezet kan worden.
Ooit werkte ik met een kraan, ik hou van kranen.
De arm bewoog, er hing een betonnen vloerdeel aan van zes bij één meter.
Heel zwaar
De kabels strak.
De aannemer stond naast me op de binnenmuur en ik drukte het zwevende betonnen gevaarte iets opzij met mijn duim.
Het ding gaf mee.
Zware dingen die draaien omdat je duim er tegenaan drukt, dat is mooier dan het zwaarste gewicht dat je op kunt tillen.
Een vis die aan een haak hangt en het water verlaat is mooier dan de vis die vrij is en zijn route zwemt op zoek naar eten.
De vis aan de haak voelt dat hij er is, omdat het einde vlakbij is.
Als mensen spreken over gevoel bij vissen, dan denk ik aan de donkere vluchtogen van de merel.
Is er contact met die merel omdat ik weet dat ik hem nooit te pakken zal krijgen?
Een vis kijkt me niet aan, een kraan wel.
Die zwaait me na met zijn arm als de betondelen allemaal op hun plaats liggen.
Schrijven over kranen en graafmachines en apparaten op rupsbanden en machines die brommen in een fabriek is schrijven over het leven zonder het leven van de mensen die de machines bedienen te benoemen.
De kraanmachinist, de armen van de kraan zijn zijn armen, hij is degene die de enorme betonplaat optilt, ik laat hem alleen draaien, met mijn duim.
Ik ken de mensen die deze machines bedienen.
Machinebankwerkers, stratenmakers, bouwvakkers.
Maar ook ken ik ze niet want ze kennen mij wel maar mijn schrijven kennen ze niet.
Ze vragen me: Wat doe jij nou de hele dag?
Met oranje ogen.
Met een haak in de bek.
De sterke armen plots hangend langs het lichaam als ik vertel over schrijven.
Tweeduizend woorden per dag, zeg ik.
Ze kijken me aan.
Dan vertel ik maar van mijn oom die dagelijks over zijn weilanden liep, hij had de boerderij van de familie overgenomen, nu zit mijn neef er op.
Hij had mijn debuut gelezen en vroeg hoe dat kon, die beschrijvingen van de sloten en het gras en de lucht en de wind, die waren steeds hetzelfde, maar toch leek het steeds anders, het voelde steeds anders.
Ik gaf hem die vraag terug.
Ik vroeg hem hoe het voelt, zo door zijn weilanden te lopen wanneer er een kalfje is geboren of wanneer hij ruzie met mijn tante Mien heeft gehad.
Toen begreep hij het.
Jij speelt met mijn gevoel, zei hij.
Het was echter de verbondenheid die de basis was van dat gevoel.
Hij las over een jongen en voelde mee.
Hij kwam dichterbij.
Een aap die vlak voor mijn neus zijn kont laat zien komt niet dichtbij. de merel wel, in de struik, op één been.
De spanning zit in het moment van wegvliegen, ook daarin.
Ik loop naar de voordeur, een paar passen, de sleutel in het slot, en even ga ik door mijn knieën zodat ik de merel tussen het blad nog kan zien zitten.
Hij zit er nog.

*

Verscheen in Oogst.

janvanmersbergen