Toen ik een roman schreef over een moeder die zo afgegleden was dat ze het contact met haar dochter uit haar handen liet glippen zat ik zo vast aan de autobiografische kanten van dat verhaal dat ik geen rekening kon houden met reacties die heel persoonlijk waren, van lezers die in dezelfde situatie zaten. Niet van horen zeggen, maar er middenin.

Ik schreef over één specifiek verhaal, mijn eigen verhaal. Dat herkenbaarheid zou spelen merkte ik wel van reacties van mensen die ook iemand kende met dezelfde psychische problemen, mensen die zich afvroegen of ik een dergelijk slachtoffer zo neer mocht zetten. Die morele vraag heb ik me tijdens het schrijven iedere dag gesteld en meteen ook beantwoord. Maar dan nog was ik met mijn eigen verhaal bezig. Ik kon me niet voorstellen dat de roman ook een andere functie kon krijgen: vergelijkbare moeders een spiegel voorhouden.

Een vrouw, een moeder, mailde me: Ik ben zo’n vrouw. Daar begon haar mailtje mee. Aan het mailtje heb ik verder niks toe te voegen.

Ik herken veel. Ik ben zo’n vrouw. Lig nog niet de hele dag op bed, maar herken het wel. Weet niet hoe ik verder moet. Hulpverlening helpt niet. Bang het contact verder te verliezen. Ben verlamd, actief zijn helpt denk ik.. In beweging komen is ook eng. Het leven leven.. Ik merk ook: die richting maakt het ook erger. Het is een vicieuze cirkel die maar doorgaat. Het is ongrijpbaar. Mijn kinderen hebben recht op hun moeder, dat ben ik. je boek liet zien dat een moeder belangrijk is. Dat vergeet ik vaak omdat staande blijven veel vraagt. En je je op afstand steeds minder nodig ervaart. Ik zoek en zoek.. een weg uit het donker.. Een weg naar mijn kinderen.. Dat je het zo bekijkt geeft hoop! Zo zag ik het nog niet. Vooral zag ik wat er aan mij ontbreekt. Dankjewel.

janvanmersbergen