Bij een groot feest in de polder waar ik vandaan kom, na een erg droge periode waardoor onze schoenen grijs waren van het stof, vertelde een oude vriendin van de middelbare school een man die ook aan de tafel (een enorme houten kabelrol die gebruikt werd als hoge tafel) stond dat ik schrijver ben.

De man zei direct: Schrijvers zijn toch allemaal zweverig.
Het was geen vraag, het was een vaststelling. Iets wat hij al wist en wat eigenlijk iedereen al wist, gezien zijn toon. Het is niet erg als mensen niet in schrijven geïnteresseerd zijn, ik ben ook niet in ieders werk geïnteresseerd, maar een vooroordeel is gewoon irritant. Vooral omdat de beste man geen idee heeft wat schrijven is.
Dat ging ik niet uitleggen, wat schrijven is. Dat heeft geen zin Het was een geweldig feest, in het stof, en ik voelde me weer helemaal thuis tussen mijn mensen, en deze ene man met een vooringenomen idee over schrijvers ging de avond echt niet veranderen. Toch dacht ik de volgende dag nog over na.
Hoe kan het beeld van een beroepsgroep zo gevormd zijn? Is het zweverige een tegenhanger voor de man zijn eigen werk? Er waren bij dat feest veel echte arbeiders: tuinmannen, grondwerkers, een oude voetbalmaat van me is al zijn leven lang stukadoor, ik sprak een sloper, een bierbrouwer, een metaalbewerker, een huisschilder. Die laatste was een vrouw, trouwens. Al die beroepen hebben een image, schrijvers ook.
Maar zweverig? Ik ken eigenlijk geen schrijver die zweverig is. Om een boek te kunnen maken moet je echt kunnen gaan zitten en leveren, die pagina’s maken en het hele boek erdoor duwen. Of bedoelde hij de onderwerpen van sommige boeken, die inderdaad zweverig kunnen zijn, maar dat maakt de schrijver nog niet zweverig.
Ik ging twijfelen. Wat is zweverig? Vaag of onduidelijk, of een sukkelaar.
Licht in het hoofd. Dat vond ik de mooiste. Het feest was mooi, ik voelde me goed, er was licht in mijn hoofd. Hij had gelijk.
