Toen ik ontdekte, na vier min of meer mislukte versies, dat de hoofdpersoon van mijn vierde roman Morgen zijn we in Pamplona, geen schrijver moest zijn maar een bokser, moest ik iets van boksen weten. Dus ik belde aan bij de beroemde boksschool aan de Albert Cuyp in Amsterdam, op het hoekje bij de Sweelinckstraat, en vroeg de trainer die opendeed of ik misschien rond kon kijken. Ik wilde schrijven over boksen, vandaar.
Ik had mijn zoontje meegenomen, toen een kleine helwitblonde jongen die nog niet eens naar de basisschool ging, om het ijs te breken. Ik wist: boksen is een sport van de rand van de samenleving, en mijn zoontje liep meteen die eerste trainingsavond aandoenlijk vrolijk rondjes in de ring toen de boksers even uitpuften van het sparren.
Iedere week ging ik kijken, ook zonder kind. Ik leerde de trainers kennen, de boksers, ging mee naar wedstrijden, keek in de kleedkamer hoe ze de zwachtels omdeden, hoe ze hun verlies na een wedstrijd incasseerden. Een geweldige open wereld, ik kon overal bij zijn.
Toen mijn roman eenmaal af was vroeg Ruud van der Linden, de man die de boksschool runde, of mijn boekpresentatie daar plaats moest vinden. Nou ja, een vraag. Hij zei gewoon dat we dat gingen doen. Er hoefde alleen maar een avond gepland.
Dat gebeurde. Ruud zorgde dat de kantine open was, dat de boksers klaar stonden, dat er in de ruimte met de ring gebokst werd. Ik regelde mijn vrienden van de Rootsclub, een bandje met banjo. We nodigden honderden mensen uit.Olympisch bokser en Europees kampioen Pedro van Raamsdonk nam het eerste exemplaar in ontvangst.
Ruud was fotograaf voor de Telegraaf en erg handig met beeld. Toen we foto’s gemaakt moesten worden had hij een plantenspuit klaar staan om zijn boksers een zweterig uiterlijk te geven. Heel slim. Ik herinner me nog goed dat Ruud zei: Wacht even, waarna hij de boksers met een waas van water omgaf en zelf de foto’s knipte.
Dat geluid, het zachte gepiep van de plantenspuit, en de boksers die geduldig wachtten, in hun blote bovenlijven met passende grote broeken, de handschoenen nu nog laag, maar in de aanslag, die voorbereiding voor dat beeld – dat is voor mij deze roman.
Daarna heb ik altijd geprobeerd een boekpresentatie aan te laten sluiten bij het thema van het boek. Dat lukte niet altijd, soms stonden we gewoon in een boekwinkel met wijn, tussen vijf en zeven ’s middags. Soms met muziek, soms alleen toespraakjes. Nooit werd die sfeer van de boksschool geëvenaard.

