Waarom ik ze niet graag gebruik ben ik bijna vergeten, aanhalingstekens, maar soms krijg ik een reactie op het niet gebruiken van deze lelijke dingen in tekst, in dialoog, en dan word ik teruggeworpen op mijn eerste idee toen ik begon met schrijven: niemand heeft aanhalingstekens nodig.
Dat maakt het de lezer soms lastig, gezien bijvoorbeeld deze reactie:
Margareth vindt het moeilijk, ik kan me amper meer voorstellen dat het ontbreken van aanhalingstekens (en niet het ontbreken van ‘leestekens’, dat lijkt alsof ik zo maar lukraak punten, komma’s, streepjes, vraagtekens weglaat) je leeservaring bepaalt. Een voorbeeldje, uit hetzelfde boek deze pagina:
Oké, zei hij. Dank je wel. Dat zegt een van de personages. Dan zegt de ander: Geen dank. Prima te volgen, want het is een scène die je voor je kunt zien, als je een klein beetje moeite doet. Van de volgende regel is gezien de context ook wel te bepalen wie dat zegt, alle namen worden genoemd. En Marianne sluit het hoofdstukje af.
Ik hoef mijn gebruik van aanhalingstekens niet te verdedigen. Mijn idee was al bij mijn eerste boek: als mensen in het dagelijks leven met elkaar spreken dan hangen er ook geen aanhalingstekens in de lucht. In veel Amerikaanse boeken trouwens ook geen aanhalingstekens, maar dialoogstreepjes – ook mooi.
Mijn tweede idee, en dat blijft ook overeind: lezen is moeilijker dan schrijven.

