1
Na vijfendertig jaar in de modderige bodem wordt er lichtjes aan me getrokken. Het is geen vis, die hebben geen kracht. Het is wel kleverig, maar op een andere manier dan de palingen die de algen van mijn slanke lijf zuigen. Het is kleverig met een schok. Een tik bij mijn voeten. Het ding kleeft aan mijn linker en begint te trekken.
Ik schuif een stukje door de bodem, maar mijn hals zit goed vast in de drek en mijn kop werkt als een anker. De sjorder laat los.
Dat herhaalt zich een tijdje: een tik, iets dat zich aan me vastzuigt, steeds dat trekken aan me, en uiteindelijk het loslaten.
Het wekt me uit een lange diepe slaap. Het geeft me tijd. Er dwarrelt zand en vochtig stof op van de bodem, soms zwarte klei van verrotting die ik liever op z’n plek had laten liggen.
Zo lang in het water, op ruim drie meter diepte vanwege de scheepvaart –ik had niet meer gehoopt op een ander leven.
Toen ik op mijn oude dag hier terecht kwam was het vooral wennen aan de kou en de stilte. Overal om me heen waren geluiden geweest, hier in het kanaal heerste de stilte.
Ik ben gemaakt met geluid. De sissende oven waarin ik ben gesmeed stond achter een woonhuis in IJmuiden, nog voor de eerste oorlog. Anders dan de kleurrijke soortgenoten uit de moderne bouwmarkt ben ik niet gegoten maar ouderwets gesmeed. En smeden is geboren worden met geluid.

2
Warmte maakt buigzaam, kou verhardt, een hamer geeft vorm.
De man die me maakte zou niet veel later al stoppen met de smederij. Alles stopte, behalve de fabrieken in China waar ze de kwetsbare soortgenoten gieten.
De man waar ik in 1971 terecht kwam, een cadeautje vanwege zijn tienjarige jubileum bij aannemersbedrijf Van Olsteren, er zat een grote rode strik om mijn middel, maakte een plekje voor me aan zijn gereedschapsbord in zijn schuurtje dat uitkeek over de weilanden met heel in de verte de Amstel.
Eén enkele spijker waar ik aan moest hangen, met mijn hals, tegen een zwarte achtergrond. Mijn omtrek ingekleurd met permanent marker.
De man was getrouwd, had twee zonen, werkte tot zijn pensioen bij dezelfde aannemer, en haalde mijn oude ijzer met prettige regelmaat uit de schuur om met mijn voetjes spijkers uit afgedankte pallets of eikenhouten vloeren te trekken, planken van de oude schuur te halen, een kozijn los e wrikken en zelfs om een hoge berk die het terras vlakbij het schuurtje naar de zin van zijn vrouw te veel schaduw gaf, neer te halen.
Daar raakte ik bevriend met drie dikke wiggen, log en stevig. In tegenstelling tot de beugelzaag met zijn tandjes die hem onuitstaanbaar sierlijk maakten, waren de wiggen kalm, geduldig, sterk en zwaar op een manier die mij wel aanstond. Die zaag gebruikte het knagerige van slijpende tanden, daar kunnen wij krachtpatsers niet tegenop, zelfs niet wanneer je zoals ik een hefboom kunt worden.
Obeesjes, noemde ik de wiggen, maar dat begrepen ze niet. Toch was het een genot om ze in die berkenstam geslagen te zien worden, en heel relaxed de boom de juiste richting op hielpen – iets wat die zaag niet kon verkroppen, want eenmaal doorgezaagd verandert een boom in een gevaarlijk richtingloos doods stuk hout. Geen zaag die een mens daarbij kan helpen.
Wiggen wel. Wiggen duwen, zoals ik ook duwen kan. Dat kozijn in de achtergevel bood weerstand, ik won.

3
Zoals gezegd had de man twee zonen. De ene kon goed leren en maakte plannen om naar de stad te gaan, de ander zoon werkte al twee zomers bij het aannemersbedrijf van zijn vader en volgens zijn ouders, broer, de mentor op school en de buren lag daar zijn toekomst: bij het dagelijkse ploeteren in de bouw, tegen een laag inkomen.
In de zomer dat hij zijn broer met een aanhangwagen vol spullen – tafel, stoel, bed – naar een stad zag rijden waar hij zelf nog nooit geweest was besloot de zoon dat het tijd was om op een gemakkelijker manier aan geld te komen.
Die dag haalde hij mij uit de schuur.
Voeten heb ik, stevige voeten, maar zelf bepalen waar ik heen ga is een ander verhaal. Dus ik belandde bij die ene zoon in zijn rugzak, mijn kop tussen een paar handschoenen en een tang, pootjes staken uit de rits.
Geluid van een brommermotor, mijn hielen in de wind achter een helm.
Dan plotseling geen motor meer, alleen voetstappen, lange tijd.
Geboren met hamerslagen, geleefd tussen ander gereedschap, ik ken de geluiden, ook als iemand probeert geen geluid te maken. Daar zijn wij niet op ingesteld.
Een spijker in hout rammen gaat niet als een hamerkop moet fluisteren. Schuren zonder kracht is strelen. Geen ijzerdraad gaat knappen als er geen kracht wordt gezet en er een knip volgt.
Tak.

4
Gelukkig was die eerste deur open. Het voelde als een verrassing, voor de zoon. Hij stootte een bloempot om. Hij was hijgerig, kortademig. Nerveus.
In het duister door een tuin. Ik stak uit de rugzak, de rits kietelde me, en ik schaamde me. Soortgenoten die ingezet waren voor vergelijkbare klusjes werden beschimpt en uitgelachen. Dit is iets anders dan een sloopklus, dat voelde ik wel, aan het tijdstip, aan het ontbreken van licht, aan het ontbreken van geluid, of althans de pogingen van de zoon om stil te zijn.
Ik schaamde me toen ik uit de tas werd gehaald en mijn kop tussen een deur en een kozijn geduwd werd. Dit was geen kozijn dat vervangen moest, dus diende enkel een man die hier naar binnen moest.
En waarom? Voor zichzelf. Daarom was hij stil, hij wilde alles voor zichzelf. Alles wat hij zou vinden was van anderen, en dat wilde hij voor zichzelf.
Ik liet de zoon mijn kracht gebruiken, ik liet het allemaal gebeuren. Een hagelpatroon is wel degene die een einde maakt aan het leven van de fazant, het is degene die de trekker overhaalde die verantwoordelijk is.
Daar dacht ik aan.
Ik probeerde niet stil te zijn. Geluiden geven voor mij alleen aan wie er gaat winnen, het kozijn of ik. Natuurlijk won ik, maar het kozijn had hulptroepen opgetrommeld, precies achter de deur die openzwaaide.
Zeven monniken.
Ze kwamen tevoorschijn toen de deur achter de zoon weer dichtging en hij nog even probeerde of hij nog sloot, wat natuurlijk kansloos was. Ik had mijn werk goed gedaan.
Het was donker in de gang. Ze wachtten tot de zoon met mij nog in zijn handen een paar voorzichtige pasjes over de tegelvloer liep, en toen doken ze zonder ook maar iets te zeggen op hem. Iemand knipte het licht aan, dat was voldoende.
De zoon was verblind, ik viel op de plavuizen. Ze grepen hem.
Ook toen de twee grootste hem vasthielden werd er niet gesproken. Alleen een knikje, en een andere monnik wees. Ze voerden hem mee door de gang, een bocht om, een trapje af.
Ik kon dat allemaal volgen omdat de laatste monnik me oppakte en de anderen volgde, dezelfde weg het gebouw door.
Niet de muntstukken waar de zoon op hoopte vond hij hier, maar een voorraadkelder waar niets in stond behalve een paar oude meubels en een drukpers van heel vroeger. Daar werd de zoon ingeduwd.
Geen woord van de zwijgende monniksorde. Alleen een boek dat voor hem op de plavuizen gegooid werd.
Ze vertrokken en verspreiden zich door het gebouw, de een naar de bibliotheek, een ander naar de keuken, eentje ging naar bed.
De laatste monnik zette me rechtop naast de deur waarachter de zoon opgesloten zat. Alles was stil.
De zoon niet, die jammerde onafgebroken. Hij zei: Ik weet dat ik niet de slimste ben, ik weet dat mijn broer wel raad weet met boeken. Laat me het uitleggen. Of moet ik dit eerst helemaal lezen? Ik ga dit niet helemaal lezen. Wat denken jullie wel? Het zijn kleine lettertjes. Laat me het uitleggen, ik kan het uitleggen. Ik had gehoord dat jullie hier cashgeld verborgen hebben, en niet eens in een kluis of zo, dus.
Hij stampte op de deur, hij rammelde aan de klink. De deur bleef onwrikbaar op slot, ik bleef wachten op de gang.
Ik kan het allemaal uitleggen, zei de zoon, nu iets zachter. Mijn vader werkt met zijn handen, maar toen mijn broer bleek te kunnen leren en met boeken thuiskwam en vertrok naar een of andere studentenstad, weten jullie wat dat voor mij betekende? Wat denken jullie? Dat ik niks meer ben, dat ik niks voorstel.

5
Tot uiteindelijk de zoon stil was en in slaap viel, meende ik. De volgende ochtend bij het eerste licht dat onder de deur van zijn cel doorkwam, de gang op, werd ik gewekt door voetstappen, haast even fluisterend als de monniken zelf.
De oudste van het stel opende deur. De zoon kwam schuchter in de gang staan.
Hij zei: Ik heb het boek gelezen.
De oudste monnik knikte.
De zoon reikte de monnik het boek aan, maar die stak zijn hand uit, een afwerend gebaar. Hij mocht het boek, waar hij die hele nacht in had gelezen, houden.
Hij pakte mij op en overhandigde me aan de monnik. Die wees de zoon de gang, en zonder verder oponthoud en zonder verder enig woord liep de zoon met het boek in zijn ene en mij in zijn andere hand.
De rugzak werd hem weer omgehangen, waar de tas al die tijd geweest was weet ik niet. Ook de helm kreeg hij terug.
De zoon slofte naar buiten. De deur viel achter hem dicht. Vanuit de kelder kreeg ik die avond en nacht niks mee van wat er verder in het gebouw gebeurde, maar blijkbaar hadden de monniken in de tussentijd de deur en het kozijn hersteld.
Wat belangrijker was: de zoon mompelde in zichzelf allerlei zinnetjes. Uit het boek, veronderstelde ik.
Woorden hebben de kracht om het gebrek aan woorden tussen mensen te compenseren.
Dat zei hij herhaaldelijk toen hij daar liep.
Woorden hebben de kracht…
Er is één woord waarmee alles kan beginnen, mompelde hij op.
Woorden hebben de kracht, maar er is één woord…
Hij zocht de brommer niet op. Later waarschijnlijk ook niet, want toen hij bij een kanaal kwam gooide hij eerst de helm in het water. Hij bleef drijven. Toen wierp hij mij met een ruime boog in het kanaal.
Sorry, zei hij.
Het laatste woord dat ik hoorde voor het water me alle woorden ontnam.
Ik zonk naar de bodem en bleef jaren op die plek tot ik op deze mooie ochtend in het voorjaar van 2023 word opgevist. De magneet kon me niet tillen, de gelukszoeker had hulp van een schepnet met een lange steel.
Ik word meegenomen naar een woning in Diemen, waar ik nu aan een balkonreling gang, naast een groot verkeersbord en een vierkant kastje met roest, als een hippe accessoire.

janvanmersbergen