De Oude Kerk is het oudste gebouw van Amsterdam, zeggen ze.
Vanzelfsprekend moet ik daar om grinniken, al zou je dat van mij misschien niet verwachten. Gezien ons voorkomen. Onze rol. Wij zijn huizen Gods, we zijn ook gewoon gebouwen van steen, cement, kozijnen en ramen, een stevige fundering en een toren om een beetje op te vallen, en buiten dat zijn ook gebouwen competitief. De hoogste, de mooiste, de meest ingenieuze constructie, de oudste. En als een ander met de eer gaat strijken…
Ze hebben mij verplaatst, ooit. Daarom is die ouwe op de Wallen de winnaar. Gefeliciteerd en geniet van de buren. God straft niet meteen, zeg ik dan. Maar ooit wel. Je moet geduld hebben.
In het geval van de Oude Kerk was onze baas zeker geduldig. Het duurde lang voor de rosse buurt de Oude Kerk opslokte, zoals ik vroeger draken monniken op heb zien slokken en de Waterwolf halve dorpen meenam naar de bodem. De mensen hielden eerst nog afstand. Zaakjes waarvan de binnen onze muren geleerd hadden dat die het daglicht eigenlijk niet konden verdragen werden niet aan onze voet uitgevoerd. Tegenwoordig maakt het de mensen niet meer uit, tenminste, bij die ouwe.
Ik ben verplaatst naar Sloten, en later hebben de Geuzen me verwoest. Kerken kunnen veel hebben. Verplaatsing, barbaren met hamers die hun naam weten te promoveren tot heldennaam, orkanen, brand. Toen het gedeelte boven de gordel van onze zuster De Notre Dame in vlammen opging wist ik: die straffe bejaarde dame komt er wel overheen. Ze krijgt een nieuwe gevel, voor en achter, en een nieuw dakje.
Dat is onder kerken een ouwe grap. Er zijn niet veel kerken met een rood dak, zoals er ook niet veel vrouwen zijn met rood haar. Daarover zeggen we: Een roestig dak betekent een vochtige kelder. Klopt als een zwerende vinger.
Hoe heilig we ook mogen lijken, hoezeer bezoekers fluisteren zodra ze bij ons binnenlopen, onderling kunnen we lachen als ouwe vrienden om dit soort gezegdes. Taal brengt ons bij elkaar. De bezoekers voeren het mee, kletsen het door. Lopen is niet nodig. Wortels wel, stevige wortels die me recht houden in de klei. Er zijn veel bezoekers trouwens die de humor niet inzien van dat roestige dak. Hoe die mensen kinderen kunnen krijgen is me een raadsel.
Een beetje droog melden de bronnen dat ik al in het jaar 1063 voor het eerst vermeld ben, in een oorkonde van bisschop Willem I van Gelre. Ik kan me Willem nog vaag herinneren. Klein mannetje, grote bisschop. Flaporen. Mensen die door die oorkonde denken dat mijn geschiedenis dus begon in 1063 hebben het mis. Ik stond er al een tijdje.
Maar kerken hebben geen geboortearchief. Wel een stevig fundament. Droge informatie, dat was wel nodig in die drassige tijden. Mensen weten tegenwoordig niks meer van die tijden. Eeuwen vocht, bloed, stank en geschreeuw. Tegenwoordig is alles stil.
Mensen klagen vanachter dubbel glas over Schiphol, maar duizend jaar geleden was ieder dorp, iedere straat, ieder gebouw vergeven van het lawaai, en dat zonder radio of telefoons met YouTube. Hout op stenen, dat maakt een vreselijk lawaai. Houten karrenwielen op hobbelige stenen. Rolkoffers op kasseien, maar dan vijftig keer zo zwaar. Of gewoon schreeuwende mensen, want iedereen leek doof in die tijd.
Laat ik het zo zeggen, alleen met begrafenissen wisten ze even hun muil te houden. Je wist het meteen als er weer een overleden was. Oud werden ze niet, en ik had een uurtje rust.
Ze denken dat ik op een veldje heb gestaan waar nu de Van Suchtelen van de Haarestraat is. Noem die straat op een willekeurige plek in Amsterdam, en ze zullen denken in je het over Antwerpen hebt, waar trouwens een forse collega staat. Volgevreten kathedraal. Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is het mooiste opgetuigd van het land. Een gebouw als kerstboom. Katholieken zijn net eksters, als het blinkt vinden ze het mooi.
Ik denk dat zelfs op de tramhalte van Hoekenes niemand die Van Suchtelen tot nogwatstraat kent. Zeker niet de Turken die daar wonen en voor hun winkels, bedrijfjes, auto’s en families zorgen. Straatnamen zeggen ze niks of ze moeten op weg naar de moskee stiekem op een van die blauwe bordjes kijken.
Het hele dorp is verplaatst. Naar Sloten. Op dat stuk tussen wat nu het Osdorpplein en Hoekenes heet stonden een paar krakkemikkige huisjes langs mijn flanken, met hun tenen vrijwel altijd in het water, aan een dijkje dat altijd te laag bleek, weilanden die in de winter ijs werden, muggen in overvloed. Tot iemand zei: Wegwezen.
Dus omstreeks 1200 vertrokken we naar Sloten. De huisjes en mijn oude restanten werden aan de grillen van het water overgelaten. Langzaam slokte het water ons op, zoals de rode lampjes de Oude Kerk nu overmeesteren als het gaat schemeren. Vechten tegen water is even zinloos als vechten tegen hoeren. Je kunt beter vertrekken, als je geen zin meer hebt om te knokken tegen natte voeten of ander vocht. Dus ik vertrok.
Sloten, dat lag destijds aan de weg van Haarlem naar het bedevaartsoord dat Amsterdam vroeger was. Een wonder, letterlijk. Onherkenbaar. De Heiligeweg als verwijzing. Een metamorfose van stichtelijkheid naar ranzigheid waar amper tegenop te vegen is.
Honderden mensen sjokten over de Sloterweg van het Spaarne naar die wonderlijke smalle straatjes binnen de muren van Amsterdam, nog voor die grachten er in een cirkeltje omheen gelegd waren. Over die Heiligeweg kwamen de barbaren. De mensheid kent vreemde kruisverbanden.
Vechten tegen Alfa, vechten tegen de beelden die ik onderdak gaf. Het krioelde in ons moeras in die tijd van de vreemde snuiters. Spanjaarden, een vrouwenleger van een Kenau, verschoppelingen die zich Geuzen noemden, ketellappers, messenslijpers, een reizende tandarts… ik weet niet precies wat ze allemaal van elkaar moesten, maar toen ik op een ochtend na de overgave van Haarlem wakker werd lagen mijn complete middenschip en de toren in puin.
Honderd jaar hebben de mensen me laten liggen, als een gewonde op het slagveld. Eerst hun eigen sores, denk ik. Natuurlijk, als je zelf ook geen dak boven je hoofd hebt is dat je eerste zorg. Het huis Gods komt daarna wel.
Ik werd wel opgelapt, langzaam. Een schilder maakte een tekening van me. Hij is later beroemd geworden. Doeken van hem hangen prominent in het Rijks. Japanners die door Sloten slenteren en een foto van me maken hebben zijn tekening van mijn jonge jaren gezien. Een nichtje van zijn vrouw Saskia trouwde met een predikant, dat was de link.
Steen voor steen krabbelde ik op, en ik werd weer oud. Dat is de levensloop van een gebouw waar niemand woont behalve God, een plek die gelovigen en niet gelovigen willen behouden. Ik denk dat de meeste donateurs van de Notre Dame weinig kerken van binnen zien, laat staan dat ze gelovig zijn.
Een monument. Die term gebruiken ze voor mensen alleen als ze iets bijzonders gedaan hebben. In mijn geval is staan genoeg. En toch…
Het is vreemd wat de tijd en de elementen kunnen doen. Water, wind, kou. In een dag is het niks, maar maak je de sprong naar tweehonderd jaar verder en weer sta ik met krakende knieën in de polder en moet er een hek om mijn heupen omdat de toren in kan storten, zonder dat daar Geuzen voor nodig zijn.
Nu heet mijn dorpje Osdorp, mijn eerste voetenbadje. Inmiddels staan er meer moskeeën dan kerken, en die worden drukker gezocht. Op vrijdag in ieder geval.
Weet je, mensen hebben onlangs pas ontdekt dat bomen met elkaar kunnen praten. Via het ondergrondse stelsel van wortels en schimmels, zwammen, weet ik wat allemaal. Dat hebben kerken ook. Zoals ik al zei: mensen voeren hun verhalen mee. Wij kaatsen geluid terug. De muziek van Paradiso trilt tot ver voorbij het Vondelpark de stad door, alsof die lelijke knaap wil laten weten dat hij trots is op zijn nieuwe bestemming.
Synagogen doen ook mee. Heel bedeesd, schoorvoetend haast. En moskeeën dus ook. Zo weet ik van de lege vloer, het schoenenrek, het wuiven van de gewaden.
Kijk, een gebouw maakt het niks uit wie er door de poort komt, zo lang de poort maar open kan. Is de sleutel kwijt, is de deur gebarricadeerd, is het dak ingestort, of is er alleen een nooduitgang en geen ingang, dat is ernstiger. Mensen denken in verschillen. Een ouwe kerk zoals ik heeft geen tijd voor verschillen.
Had ik het net over het Vondelpark? Iedereen kent het Vondelpark. Een paar boompjes en erg veel mensen, drukte, muziek, dampende wegwerpbarbecues en net zo snel weggegooide flessen bier, blowende toeristen, huurfietsen, hardlopers, een grote mierenhoop in onze stad.
In mijn wijk, en dan heb ik het over alle tijden, van mijn wieg tot nu, ligt het grootste park van de stad, en dat park is van water.
Stel je het Vondelpark voor als een meer. Rustig kabbelend water. Een zeilbootje in de verte, in het zonlicht. En stel je de straten en huizenblokken om dat meer als oevers, bossen, wandelpaden, een weide. Dat is de Sloterplas. Soms verlang ik terug naar de Sloterplas.
Net zo groot als het bekendste park van Nederland, maar van water, en ruimte zat eromheen om in de zomer boemboemmuziek te herbergen en buiten die weekenden aan de buurt wat schaduw biedt zonder dat de mensen daarvoor hoeven te vechten. Een park van water, mijn bezoekers kunnen dat op waarde schatten.
De eerste steen van mijn huidige jasje ligt er ook alweer ruim honderdvijftig jaar. De steen van Boreel, jonkheer en commissaris van de koning in Noord-Holland. Zo ver reiken mijn wortels niet, en ook niet mijn orgel, dat van mijn eerste plekkie werd meegenomen.
Wat wel tot ver in de provincie te horen is: mijn klok. De grote klok. Twee broers goten hem. Sterke jongens, de gebroeders Moer. Goeie naam voor klokgieters. Drie jaar geleden vierde die ouwe bel zijn vierhonderdste verjaardag. Een klok overleeft veel. Die man van de eerste steen heeft na wat restauraties alleen nog een verloren muurankertje ergens in mij zij over. Boreel, geen grappen over die naam alstublieft. Ik wil de Ouwe kerk niet achterna.
Sloten is nu mijn dorp. Nieuw West heet nu de wijk waar ze me uit de drek getrokken hebben, en hier heet het inmiddels ook zo, al staat er onder de straatnamen op de blauwe bordjes nog gewoon Sloten. Nieuw West; mensen zijn gericht op het nieuwe, tegenwoordig. Wat in het moeras verdwenen is laten we daar liggen.
Ik heb uitzicht op een paar daken, daarachter ligt een speeltuin. Die daken zijn fors. Een zendmast voor telefoons is al bijna hoger dan mijn toren. Er hangen rechthoekige bakken en antennes aan, links en rechts. Het kruis van onze moderne tijd.
Iedere week komt er een man in die speeltuin, met zijn jongste zoon. Het is een schrijver. Hij kijkt vaak naar me. Soms komt dat blonde kereltje bij hem staan en wijst de vader naar me, naar mijn toren, naar de klok. Dan vraagt hij zijn zoontje iets en schudt de jongen zijn hoofd. Niet ontkennend, hij schudt van: Bim-bam.
Soms zet hij die jongen op de fietst en dan komen ze even een rondje maken over het weggetje dat in een cirkel om me heen loopt, een kiezelpaadje dat zacht knispert onder de luchtbanden van zijn fiets.
Daar komen ze aan, die kleine blonde jongen voorop in zijn stoeltje. Hij knijpt zijn oogjes samen tegen de zon en kijkt naar mijn twee torentjes op de hoeken en die grote toren in het midden.
Dat is toch heel erg mooi, zegt de jongen.
Ja? vraagt zijn vader. Vind je die kerk zo mooi?
Heel erg mooi, herhaalt hij.
Ze blijven nooit lang, maar ik kan weer even vooruit.