Midden vijftig, sinds ik daar ben beland is mijn omgang met allerlei spannende organisatorische zaken anders geworden, merk ik. Dat heeft enerzijds met werk te maken, maar ook gewoon met dingen regelen die bij de familie horen, bij vrienden, de voetbalclub, carnaval, een borreltje in de buurt. Wat ik voorheen op mijn gemak en ogenschijnlijk relaxed kon doen houdt me tegenwoordig wakker.
Een aanzienlijk deel van mijn werk bestond uit organiseren, eerst in de theatersector bij festivals en theatergroepen en de langste tijd bij een klein theater in Amsterdam, daarna aansluitend op mijn schrijven het maken van een literair tijdschrift, het opzetten van een voorleesavond in de kroeg, stukken schrijven voor de krant, het bedenken en uitvoeren van een workshopvorm waar aspirant-schrijvers wat aan kunnen hebben, de maandelijkse borrel in het stamcafé… De projecten stapelden zich op, kwamen en gingen, en ik deed het er allemaal zo’n beetje bij, voor mijn gevoel. Alles wat die projecten vroeg kon ik er prima bij hebben.
Tegenwoordig vind ik het beste moment van een project: als het achter de rug is en weggestreept kan worden. Dat geldt voor optredens, workshops, het schrijven op verzoek, maar ook voor contact over dat soort zaken. Zit er nog iets aan te komen: een deadline, een datum, een evenement, dat suddert dat zo’n beetje de hele tijd door in mijn hoofd. Dan geeft het een soort onbestemde spanning die pas verdwijnt als het weer voorbij is.
Nu hoef ik daarover niet met een dokter of psych te praten, het is alleen wel fijn te weten hoe ik op deze zaken reageer. Hoe ik soms ’s avonds in bed stap en nog denk aan dat ene zinnetje in een artikel, die ene mevrouw die ik nog moet bellen, een betaling die nog niet binnen is, een plek voor een lezing die nog net iets te onbekend is… De onzekere factoren die horen bij het organiseren en uitvoeren blijven langer hangen.
Mijn oplossing is niet het afhouden van werk of drukte, maar het plaatsen van die projecten in de tijd. Dat is het moeilijkste: de tijdsspanne tot iets gedaan is. Voorheen was de tijd oneindig en lag mijn tempo zo hoog dat ik op één dag het werk voor drie dagen kon doen, en ook deed. Nu neem ik juist de tijd voor zaken buiten het werk en organiseren en opzetten en uitvoeren, om mijn hoofd de rust te geven, de rust die het hoofd van een vijftiger vraagt.
Op één dag had ik laatst bijvoorbeeld twee afspraken staan. Die ene dag was in mijn agenda iets te veel ingekleurd met blauw. De ene afspraak was in de ochtend, de andere in de avond. Mijn redding was de tijd daar tussenin, die had ik voor mezelf. En uiteindelijk werd ik gered door de ov-staking en de regen die de eerste afspraak onmogelijk maakte, en ’s avonds zou ik gaan sporten, maar toen ik na het eten de rust van die middag door tilde trekken besloot ik eenvoudigweg thuis te blijven. Twee werd nul.
Dat gaf vervolgens de ruimte om de volgende dag, die in mijn agenda helemaal blanco was, vol goede moed van start te gaan en allerlei afspraken te maken, werk op te pakken, mailtjes te sturen, een aanvraag te doen bij een gemeente, een lijstje te maken voor de inkopen van een grote borrel… Kortom: die ene volle blauwe dag veranderen in een dag met niks was beter voor mijn gemoed dat die afspraken kost-wat-kost door te laten gaan.
Volgende week heb ik één afspraak in mijn agenda staat, en een boekpresentatie, en een voetbalwedstrijd. Dat is wel even genoeg. De ruimte om die afspraken heen, dat is de leegte waarvan ik nu al weet dat ik die heel goed kan gebruiken. Die momenten, soms een hele dag, zijn de uurtjes die voor mij als vijftiger het belangrijkste zijn. Die schakel ik aaneen, en laat ik voorlopig even niet wegdrukken door nieuwe afspraken, iets wat ik voorheen moeiteloos liet gebeuren, en kon laten gebeuren.