Mijn jongste zoon wilde dus graag een huisdier. Hond, kat, cavia. Hij dacht aan alle opties, aan de voor- en nadelen, en hij begreep ook wel dat wij (zijn moeder en vader) het niet zagen zitten een kat in huis te hebben of eindeloos met een hond te moeten gaan lopen als hij zelf op schoot zit, en met cavia’s heb ik weer een heel ander verleden – daar ga ik niet naar terug.
Toen zei hij op een dag: Vissen. Dat lijkt me wel wat. Dat leek ons ook wel wat. En zo kwam er een plan om een mooi vissenbakje te gaan halen, tot we via de schoonouders van mijn dochter (ja ja) een aquarium konden overnemen. Hun kinderen (inclusief schoonzoon) keken er niet zo veel meer naar om.
We zeiden meteen ja, en op een avond kwamen ze het aquarium brengen. Er zaten twee vissen in en een garnaal die mijn zoontje direct Henk noemde. Het is een bak van twintig liter, met pomp en licht in verschillende kleuren. Het vraagt veel schoonmaken en onderhoud, en dat komt nogal precies.
De vissen hebben een bepaalde temperatuur nodig, 27 graden, dus er hangt een thermometer in het aquarium. Als je het water ververst dan moet je de helft eruit halen, een beetje schoonmaken en daarna dat oude water weer terugdoen. Daar zitten micro-organismen in die de leefomgeving van de visjes bepalen. Mijn zoontje luisterde aandachtig naar alle instructies.
Door het vervoer was de bak troebel geworden. Het duurde een nacht, maar de volgende ochtend was dat opgewaaide gruis weer bezonken en was het water helemaal helder. De visjes waren wat schichtig, de garnaal niet zich niet zien. Er staat een ton op de bodem van de bak, daar verstopte hij zich – waarschijnlijk.
Het pompje dat het water laat circuleren (en dat je nooit helemaal mag schoonmaken en ook niet zomaar mag vervangen, omdat ook daar die micro-wezens in zitten) geeft een kabbelend en geruststellend geluid. Vreemd, want dergelijke geluiden van de vaatwasser of zoemende elektra of iets anders zijn altijd irritant – bij een aquarium helemaal niet. Visjes zijn Zen.
