Een bijzonder fijne thriller die ik deze zomer las is Verbroken van Karin Slaughter, het tiende deel in de serie over Will Trent (oorspronkelijke titel: Broken, vertaald door Ineke Lenting). Deze Trent, GBI-agent (Georgia Bureau of Investigations in Atlanta) komt pas in het vierde hoofdstuk in beeld, en dat heeft wel wat. In de proloog zien we het slachtoffer verdwijnen – ze verdrinkt. In het eerste hoofdstuk volgen we ene Lena, van de politie. Dat richt Slaughter, een vlotte en heldere verteller, zich op Sara, en als die laatstgenoemde Trent inschakelt zijn de personages van de achterflap allemaal aanwezig. Mooie opbouw, het geeft aan dat de schrijver evenveel aandacht heeft voor personages die misschien niet direct vooraan staan te springen.
Slaughter is vooral goed in sfeer, en in bepaalde overdrijvingen die steeds even in het hoofd van de personages gebeuren. Het regent niet zo maar, als Lena op de plaats delict is dan regent het echt hard, blijven de anderen in hun auto’s zitten, is het zicht maar tien meter, wenste Lena dat ze nog in haar bed lag. Het decor, met net even een gedachte erbij, precies in een verhouding die het verhaal niet ophoudt maar de lezer wel de kans geeft net even iets meer van de gevoelens van de personages te weten te komen. Of een vrouw met moeilijk te schatten leeftijd: Ze had evengoed dertig als driehonderd kunnen zijn. Als er opeens een vis uit de wond in de hals van het slachtoffer springt: Lena legde haar hand op haar borst en hoopte dat het niemand was opgevallen dat haar hart het bijna had begeven. Of: Wills benen waren ongeveer drie meter langer dan die van haar. Tussen verder vrij sobere beschrijvingen, even een klein schrikmoment, net een paar grotere woorden; Slaughter doet dat heel soepel en slim.
Die vermissing moet onderzocht worden, en ze denken aanvankelijk aan zelfmoord. Bij zelfmoord is het slachtoffer de moordenaar. De schuldige is ook degene wiens verlies het diepst wordt gevoeld. Hij is er niet meer om de schuld voor de dood op zich te nemen, om de natuurlijke woede te incasseren die vrijkomt bij een dergelijk verlies. Wat de dode achterlaat is een leegte due alle pijn en verdriet van de wereld niet kunnen vullen. Vader, moeder, broers, zussen, vrienden en verwanten: ze hebben niemand die ze kunnen straffen voor hun verlies. Er wordt altijd om straf geroepen als een leven onverwacht verloren gaat.
Dat is ontzettend duidelijk en strak neergezet. Deze derde persoon, hier kort even in de tegenwoordige tijd, biedt een betoog maar ook gevoel. Dit kadert het onderzoek naar de zelfmoord, er komen details, alle aanwijzingen duiden op zelfmoord maar het slachtoffer heeft een zwaar hangslot met ketting om haar hals, en daar zitten betonblokken aan. Vreemde zelfmoord. Er verschijnen andere personages. Slaughter tuigt de thriller vakkundig op, en voor jet het weet zit je als lezer helemaal in het natte kille Georgia van een jaar of twintig terug, met een moordzaak.
De toon heeft een bepaalde feitelijke droogte die in deze thriller goed werkt, geen opgeklopte spanning, behalve soms in de weersbeschrijvingen, maar alleen, als er een meer beschreven wordt: ‘Ook werd er soms een lijk gevonden. Eens was er een meisje levend begraven. Verscheidene jongelui. pubers natuurlijk, waren verdronken door stompzinnige waaghalzerij. Vorige zomer had een kind haar nek gebroken na een duik in het ondiepe water van een inham.’ Dat is het: feiten, zeer stellig verteld, maar niet aangedikt. Het is bijna journalistiek.
Het verhaal gaat dus eigenlijk over Sara Linton, die heel mooi in een korte alinea in een van de openingshoofdstukken al geïntroduceerd wordt als de ene politieman tegen de al genoemde Lena zegt: Sara Linton is terug, waarna Lena schrikt. Pas in hoofdstuk drie volgen we Sara. De situatie is even ingrijpend als eenvoudig: de man van Sara, politiechef, is omgekomen doordat Lena als agent niet voldoende optrad. Door eerst de lezer met Lena mee te laten leven bouwt Slaughter effectief aan dit plaatselijke politiecorps en aan de personages. Ze zitten gevangen in wat er gebeurd is, een oude thrillertruc die bijvoorbeeld Michael Connelly ook regelmatig toepast.
De actie die tussendoor al gebeurt is heftig en de politiemensen zijn echte plattelandsdienders, een beetje onzeker en onhandig. Het draagt allemaal bij aan sfeer, de opbouw van de karakters en het verhaal. Als vervolgens ook nog de verdachte zelfmoord pleeg en bovendien een bekende van Sara blijkt te zijn, wat op zich logisch is in een kleine gemeenschap, maar vooral omdat Sara de jongen behandeld heeft en hij toen hij nog erg jong was een paardenbloem voor haar meenam, aandoenlijk, dan is het web compleet. De verdachte is een bekende en tevens is ook hij dood, en bij Sara spelen direct schuldgevoelens die een onderzoeker (voormalig patholoog) gelaagd maken: misschien had ze zijn zelfmoord kunnen voorkomen…
Sara zoekt contact met rechercheur Will Trent. Voor hij uitstapte wipte hij het frontje van de radio en de GPS-ontvanger uit het dashboard en bord ze op in het handschoenenkastje. Hij woonde in Atlanta, waar je de voordeur al op slot deed als je de post ging halen. Weer die soepele overdrijving die door verteller Slaughter zelf aan het verhaal wordt toegevoegd. Het is allemaal een opmaat voor een heerlijke thriller met spanning, actie, gelaagde personages en couleure locale.
En, als bonus, een leuke toevoeging als Will Trent en zijn vaste partner in Atlanta een politierapport doornemen en de link naar fictie leggen. Er staat: Op de oever, op ongeveer dertig meter van de vloedlijn en vier meter van een grote eik liggen een paar witte Niks Sport-tennisschoenen maat negenendertig. In de linkerschoen, op het zooltje – dat blauw is, met het woord SPORT op de plek van de hiel – ligt een geelgouden ring. De partner van Trent merkt op: Kom op zeg. Dit is Oorlog en vrede niet. Dit is een politieverslag.
Dit was de eerste Slaughter die ik las, en zeker niet de laatste.
