De fotograaf had een koffer mee, een grote hoes, twee tassen en twee statieven. Ik wist meteen: dit wordt een lange middag.
Het was gewoon bij mij thuis, toen ik nog op een etage in Amsterdam-Zuid woonde. Kleine woonkamer: tafel, bank, bed, tv, schouw. Het meest opvallende: de ramen die in een soort erker zaten. Daar kon ik gaan zitten, zei de fotograaf terwijl hij zijn spullen uitpakte.
Ik bleef eerst even kijken wat er allemaal uit de tas kwam: een camera, een grote lamp, een enorm wit cirkelvormig doek om licht mee te reflecteren, een heleboel kabels, een kleine laptop, een apparaatje met knopjes dat me deed denken aan een lichtregelapparaat uit de tijd dat ik in theater werkte. Het was veel.
Die spullen waren niet zo zeer het probleem, het was vooral de tijd die al die spullen en de gewenste opstelling vroeg. Het werd inderdaad een lange middag.
Op de foto’s is aan mijn gezicht heel goed te zien dat het nogal lang duurde. Ik kijk getergd.
Die foto’s zal ik hier niet afbeelden omdat het me niet om de fotograaf gaat maar om het fenomeen auteursfoto’s. Mijn ongeduldige hoofd kwam niet erg goed uit bij de fotograaf die vanwege de hoeveelheid apparatuur erg veel tijd nodig had. Ik leerde er wel iets van.
In het vervolg, als er een foto genomen moest worden, sprak ik een tijd af – bijvoorbeeld één uur. En dan zei ik er meteen achteraan: Ik zal er zijn om die tijd, maar moet om half drie mijn zoontje uit school halen, en dat is ongeveer een half uurtje fietsen.
Dat was meestal voldoende, dan wisten alle partijen waar we aan toe waren. Mocht een fotograaf vooraf weten dat ongeveer een uur niet voldoende zou zijn, zag nog zou die fotograaf dat niet zo snel vooraf aangeven. Het zou de fotograaf bewust traag maken.
Tijd inschatten, tijd bepalen. Dat is belangrijk bij foto’s. Soms gaat het ook gewoon snel. Bob Bronshoff maakte een portret van me in zijn studio op het Amstelveld. Hij vroeg alleen: wit of zwart? Hij wees naar een reeks rolgordijntjes aan het plafond. Hij had het over de achtergrond. Zwart, zei ik.
Hij trok een zwart rolgordijntje naar beneden en ik ging staan, hij pakte zijn camera en klikte één keer. Klaar. Ik ging naar huis. De foto mailde hij me al snel. Zwarte achtergrond, verder niks.

Koos Breukel moest drie keer knippen, maar dat deed hij wel op drie verschillende afstanden. Allereerst wees hij me een stoeltje. Daar ging ik op zitten. Koos pakte zijn camera en zei: Dit stoeltje komt uit Nieuw-Guinea. Het was van een medicijnman. Het was de enige stoel van het hele dorp. Alle zieke mensen van die hele streek hebben op dat stoeltje gezeten.
Knip.
Bij iedere foto vertelt Koos dat verhaal, en iedereen zit behoorlijk verschrikt op de foto. Jonathan Herman portretteerde Koos naar aanleiding van een stuk in NRC op zijn eigen stoeltje. Hij zit op zijn hurken op de zitting.
