De ik-verteller die Patricia Cornwell aan het woord laat in Doodsoorzaak (vertaling: Annette Zeelenberg) is Kay Scarpetta, haar bekendste hoofdpersoon, en aan deze verteller vallen direct twee dingen op: ze maakt steeds korte uitstapjes naar een derde persoons-verteller en doet in de verleden tijd het complete verhaal uit de doeken. Precies de zaken die ruimte scheppen voor een technisch betoog over perspectief.

Eerst die verkapte derde persoon. Als een ik-verteller dialogen aan bod laat komen loopt die verteller tegen een probleem aan, want in boekvorm oogt steeds vermelden wie wat zei vervelend en saai, en dubbel. Toch is het nodig voor een verteller die werkelijk steeds woord wil houden dat je niet te veel anderen laat vertellen. En in dialogen is dat lastig.

Voorbeeld. Al op de tweede pagina, als Scarpetta gebeld wordt door een agent, geeft ze vanzelfsprekend weer wat die agent tegen haar gezegd heeft. ‘U spreekt met agent Young van de politie in Chesapeake,’ zei iemand. Dat klopt allemaal, dit is door ik-verteller Scarpetta verteld. Maar in het vervolg wijkt ze af van die vertelmanier, als ze in dialoog verder ingaan op een sterfgeval:

‘We weten niet wie het is, maar het is mogelijk dat hij naar overblijfselen uit de Burgeroorlog aan het zoeken was.’
‘In het donker?’
‘Mevrouw, het is daar verboden terrein, tenzij je speciale toestemming hebt. Maar dat heeft mensen er bij eerdere gelegenheden niet van weerhouden om nieuwsgierig te zijn. Ze varen er met hun boten in het donker stiekem naartoe.’
‘En die anonieme beller suggereerde dat het nu ook zo was gegaan?’
‘Zo ongeveer wel.’
‘Dat is interessant.’
‘Dat vond ik ook.’

Pas in de zin daarna meldt Scarpetta weer even: ‘… zei ik.’ Op het eerste oog in een thriller geen probleem, want de lezer volgt het gesprek tussen deze Young en Scarpetta, maar het is die laatste die het verhaal achteraf vertelt aan… de lezer. En dit verhaal op deze manier zelf vertellen is wel een probleem. Stel je de verteller voor met de lezer daadwerkelijk voor zich, dan zijn losse dialoogzinnen als ‘Zo ongeveer wel,’ ‘Dat is interessant’ en ‘Dat vond ik ook’ niet de zinnen die voor een toehoorder begrijpelijk zijn. Het zijn derde persoonszinnen die voorbijgaan aan de ik-verteller. Dus waarom niet volledig in de derde persoon vertellen?

Nu ben ik op dit punt behoorlijk streng, ik weet het. En de praktijk van deze thriller is dat ik ook dit verhaal, ondanks het zwabberende perspectief prima tot me kan nemen. Het verhaal neemt het vertelperspectief over – gelukkig maar. Dit eerste telefoontje van deze Young is namelijk voor een volgende beller van dezelfde politie totaal onbekend, en dat is spannend.

Maar toch, probeer maar eens iemand een verhaal te vertellen met daarin dergelijke dialogen, waarbij je alles wat de ander gezegd heeft gewoon oplepelt, afgewisseld met wat je zelf gezegd hebt. ‘Zo ongeveer wel, dat is interessant, dat vond ik ook.’ Dat kan niemand volgen, of je moet stemmetjes gebruiken. En dat is precies wat deze ik-verteller doet: steeds haar eigen stem afgeven aan een willekeurig bij-personage. Die ik-verteller kan dus strakker. Of Cornwell vertelt zelf, in de derde persoon.

Klein ding bij deze dialoog: de zin hierboven die begint met ‘Mevrouw…’ telt 37 woorden. Die lange zin wordt dus achteraf letterlijk herhaald, zonder twijfel of voorbehoud. Scarpetta is dus een verteller, dat is de belofte aan de lezer, met een zeer goed geheugen, die alles superletterlijk bij de lezer gaat brengen. Maar omdat ze ook personage is en een actieve rol speelt in het verhaal voelt haar geveinsde betrouwbaarheid heel raar.

Brengt me bij het tweede punt: de verleden tijd. Die lange dialoogzin zou al anders zijn als Scarpetta ergens toe zou voegen: ‘Mevrouw,’ begon hij zijn lange monoloog. Of: En toen zei hij iets in de trant van: je mag daar komen als je speciale toestemming hebt. Dan is in ieder geval de ik-verteller aan het woord, iets wat voor toehoorders nu eenmaal prettig is. Een verteller die werkelijk zelf vertelt.

Wat een groter punt is, wat betreft die verleden tijd: verteller én hoofdpersoon weet wat er allemaal gebeurd is en hoe de zaak afgelopen is. Cruciaal. Scarpetta houdt dus, dat moet wel, constant informatie achter, juist om wel een spannende vertelling te hebben. En in die vertelling blijft ze daarom noodgedwongen in de scène, ook dat wijst erop dat een tegenwoordige tijd logischer was geweest. Ze vertelt toch vooral wat er nu gebeurt.

Wat Scarpetta dus doet: ze houdt het bij een chronologische weergave van wat er gebeurd is, alsof ze nog niet weet wat er allemaal gebeurd is. Belangrijk. Het eerste telefoontje, dat is meteen spannend. De agent die daarna belt weet van geen eerder telefoontje, en daarna meldt Scarpetta: Ik was verbijsterd door wat hij had gezegd. Ze dwingt zichzelf in de scène te blijven, want de lezer is daar ook, en die kan alleen met haar mee naar de volgende scène, ook al kent Scarpetta die al.

Trouwens, herhalingen kunnen functioneel zijn, als Scarpetta al een keer vloekend verteld heeft dat het haar steeds meer tegen begon te staan telefoontjes voor dokter Mant aan te nemen, en dat ze wilde dat ze in Richmond was, in mijn eigen huis, en eigenlijk had ik een hekel aan Mants tochtige huis dan weet ik het wel. Dan ga je als lezer denken: voor het verhaal had je het nodig dat je op dat huis zou passen, en nu vertel je in dat verhaal alsof je liever elders was. Natuurlijk, er gaan vreselijke dingen gebeuren, maar dat heeft eerder met je beroep te maken, dus klaag niet over dat huis.

Een ik-verteller dus die dialogen als derde persoon neerzet en een verleden tijd waarin informatie achtergehouden wordt, het belooft een hobbelig pad te worden. Maar zoals gezegd, het verhaal is de andere bepalende component, en als dat in gang wordt gezet met het vinden van het lichaam van een gelauwerde onderzoeksjournalist, dan verdwijnen de vertellingsbezwaren langzaam naar de achtergrond.

Er volgen meer telefoontjes (nog meer dialogen), Scarpetta gaat op pad en spreekt mensen die niet mee lijken te willen werken (nog meer dialogen), en uiteindelijk volgt er een sterke ik-verteller zin: ‘Ik legde weer uit wie ik was.’ Dan is de verteller op haar plek, dan maakt ze tempo. Dan hoeft ze zich niet meer te vermommen tot een derde persoon, die eigenlijk schrijfster Cornwell zelf is. Dan vertelt ze zelf haar verhaal.

Dan zegt ze: ‘Pardon. Bent u van de marine?’ onderbrak ik hem, want ik wilde dit onmiddellijk rechtzetten. In die lekker vertelde zin neemt de verteller de lezer nu mee in haar verhaal dat in het verleden speelt. Hier is de verteller bewust van wat er toen gebeurde, en ze vertelt dat duidelijk nu. Dus de ik-verteller én de verleden tijd zijn volledig benut, en kloppen.

Ik weet, perspectiefkeuzes zijn ingewikkeld en ze doen vaak weinig af aan de eerste lezersbeleving van een spannend verhaal, want de meeste lezers denken toch: wat is er met dat lijk gebeurd, en hoe gaat onze hoofdpersoon daar achter komen? Toch is voor schrijven belangrijk verteller en tijd in iedere alinea duidelijk te hebben, om controle te houden.

In deze thriller van Cornwell kost het me moeite de gemaakte keuzes naast me neer te leggen en de beschrijvingen van de ik-verteller te volgen, die weldegelijk scherp en leuk zijn, en beeldende zinnen opleveren als: Het gezicht van de man met de baard leek wel een rauwe hamburger.

Scarpetta hees zich in een duikpak. Ik las verder, op zoek naar meer van dat soort beelden. Die, en dat laat ik maar moeilijk los, ook in de derde persoon of vanuit een tegenwoordige tijd prima zouden passen.

janvanmersbergen