Bij de Vertellers van Helmers vroegen Gilles van der Loo en ik onze gasten, vijf per editie, een verhaal voor te lezen dat ze echt heel goed vinden. Geen eigen werk, ongeveer tien minuten. De opzet werkte goed omdat je als schrijver altijd een soort gene ervaart als je een eigen verhaal voorleest, in ons café kon je ongegeneerd tonen wat jij echt geweldig proza vindt.

Sommige schrijvers kwamen herhaaldelijk terug. Edgar Keret. Volgens mij kwam zijn knikkerbaan zelfs twee keer langs. Een verhaal van Nana Kwame Adjei-Brenjah dat Black Friday heet was adembenemend. Maar het grootste effect op de toehoorders, en ook op de twee hosts, had een bijdrage van Ronald Giphart. Echte fysieke neigingen, misselijkheid, oprispingen.

Ronald hoefde niet lang na te denken wat hij zou gaan lezen. Poep, zei hij, van Manon Uphoff. Dat ga ik lezen. En dat deed hij, tussen Gilles en mij in, op het kleine rode pluchen bankje. Niks aan de hand, zo lang het verhaal veilig opgerold was.

Ronald las. Het verhaal begint kalm, een vrouw die haar honden uitlaat spreekt een jongeman. Ze blijkt een enorm huis te bezitten waar de jongen alleen van kan dromen. Er volgt een weddenschap.

Ronald sprak steeds levendig en tegelijk kalm, hij liet de zinnen hun werk doen, maar toen de weddenschap, die natuurlijk met de titel van het verhaal te maken heeft, zich aandiende moest hij zich ook even herpakken. Gilles zat tegen de armleuning van het bankje aangedrukt, zijn gezicht een beetje bleek. Ik moest mijn ogen sluiten, al had ik liever mijn oren dichtgestopt.

Bij de ontknoping, die ik hier niet letterlijk zal herhalen, moest ik bijna kotsen. De toehoorders in het café ook. Er werd niks meer gedronken. Ronald sleepte zich naar de laatste zinnen, en iedereen voelde tegelijk de smerigheid en de opluchting toen het verhaal afgelopen was.

Het was maar een verhaal, het was maar fictie, de avond kon verder, proost.

Op de site van DBNL is Poep in zijn geheel te lezen, voor wie durft.

janvanmersbergen