Redactie is een van de interessantste aspecten van schrijven. Vrijwel iedere schrijver krijgt tussen de eerste versie van een manuscript en de definitieve en gecorrigeerde drukproef redactionele opmerkingen. Voor mij zijn die opmerkingen van een eerste professionele lezer erg belangrijk, ze geven me de kans het geheel aan te scherpen en de blinde vlekken die ik zelf heb als het gaat om tikfoutjes op te vangen. Nog altijd is het mijn idee om lezers bij het proces van redactie te betrekken, zodat lezers een completer beeld hebben van de fasen van schrijven. Het probleem is: hoe doe je dat zonder schrijvers af te vallen?

In mijn tijd bij de Revisor werkte ik een plan uit om bij de verhalen die we publiceerden ook de redactionele stappen te laten zien. Soms kende een verhaal wel vier of vijf versies, en dan leek het me interessant om te zien wat de schrijver met opmerkingen van de redactie heeft gedaan, en hoe een verhaal zich ontwikkelt. Echter, de betreffende schrijvers wilden alleen hun eindproduct afgedrukt, niet het getob daarvoor.

Ook als ik zelf redigeer loop ik hier tegenaan. Laatst las ik een fors manuscript, ruim vijftigduizend woorden, en de schrijver is nu bezig met herschrijven, met schaven en schrappen, en liefst zou ik die versies naast elkaar leggen om lezers te kunnen tonen hoe veranderende keuzes kunnen uitpakken, maar wil die schrijver dat wel? Ik durf het hem niet eens te vragen.

Eigenlijk kan ik alleen de redactionele opmerkingen laten zien die ik zelf voor mijn kiezen krijg, zoals ik hier een tijdje terug de eerste mail van mijn oud-redacteur liet zien. Maar dan nog, recente redactie, van redacteuren waar ik nog steeds mee werk openbaar maken is lastig, dan komt er iets tussen dat lezen en mijn schrijven te staan. En dat is niet de bedoeling.

Een bladzijde van internet plukken en dat redigeren? Tegenwoordig is zeer gemakkelijk te herleiden wie die pagina schreef, dus dat kan ook niet. Bestaande boeken redigeren? Dat heb ik wel eens gedaan, in een ver verleden toen ik nog meende dat mijn manier van lezen belangrijk was – daar ben ik van teruggekomen, en bovendien is die redactie achteraf. Daar heeft de schrijver niks aan.

Toen kreeg ik een idee. Ik kan ChatGPT een verhaal laten schrijven en dat redigeren. Het werk is hetzelfde, het eindproduct niet van belang, en ik gebruik geen materiaal van bestaande schrijvers of aspirant-schrijvers.

Dus ik gaf ChatGPT een opdracht: Schijf een verhaal vanuit een ik-verteller in de tegenwoordige tijd die een parachutesprong maakt, waarbij zijn hele leven langs schiet.

Binnen een paar seconden had ik een verhaal van ruim 600 woorden:

De deur van het vliegtuig staat open. De wind grijpt meteen naar binnen en trekt aan mijn kleding alsof hij me nu al naar buiten wil sleuren. Ik schuifel dichter naar de rand. Onder me ligt de wereld als een landkaart: groene velden, zilveren sloten, kleine wegen die zich als linten door het landschap slingeren.
Mijn hart bonst zo hard dat ik het zelfs door het geraas van de motoren heen hoor.
“Ga maar!” roept de instructeur.
Ik kijk naar beneden.
En spring.
Op hetzelfde moment dat mijn voeten het vliegtuig verlaten, lijkt de tijd uit elkaar te vallen.
De lucht slaat tegen mijn gezicht. Mijn maag schiet omhoog. Ik val.
En terwijl ik val, schiet mijn leven langs me heen.
Ik zie mezelf als kleuter in de achtertuin. Ik ren achter zeepbellen aan die in de zon glinsteren. Mijn moeder lacht vanaf het terras. Ik hoor haar stem alsof ze vlak naast me staat.
Ik val verder.
Ik zit op mijn eerste schooldag. Mijn nieuwe rugzak voelt veel te groot. Mijn handen zijn klam. Ik ben bang dat niemand met me wil spelen.
De wind giert langs mijn oren.
Ik zie hoe ik mijn eerste vriend maak. We bouwen hutten van takken en oude dekens. We zweren dat we voor altijd vrienden zullen blijven.
De aarde komt langzaam dichterbij.
Ik zie mijn vader die me leert fietsen. Eerst houdt hij het zadel vast. Dan laat hij los zonder dat ik het merk. Pas als ik omkijk, zie ik dat ik alleen rijd.
Mijn armen trillen in de lucht.
Ik zie verjaardagen, vakanties, voetbalwedstrijden, regenachtige middagen waarop ik urenlang boeken lees. Alle gewone momenten waarvan ik nooit dacht dat ze belangrijk waren.
Maar nu zijn ze dat wel.
Ik val nog steeds.
Ik zie mezelf als puber. De eerste keer dat ik verliefd ben. De eerste keer dat mijn hart breekt. De nachten waarin ik wakker lig en denk dat niemand me begrijpt.
De wolken schieten voorbij.
Ik zie examens, diploma’s, nieuwe banen. Ik zie fouten die ik maak. Woorden die ik liever niet had gezegd. Kansen die ik laat liggen omdat ik bang ben.
Mijn adem stokt.
Dan zie ik de goede dingen.
Vrienden die blijven.
Mijn oma die mijn hand vasthoudt in het ziekenhuis.
De dag waarop ik besef dat geluk niet zit in grote overwinningen, maar in kleine momenten die je bijna over het hoofd ziet.
De grond komt steeds sneller dichterbij.
Voor het eerst denk ik niet aan wat ik allemaal nog moet doen. Niet aan geld, werk of zorgen.
Ik denk alleen aan hoe bijzonder het is dat ik er ben.
Dat ik al die jaren heb mogen leven.
De huizen worden groter.
De bomen krijgen weer bladeren in plaats van groene vlekken.
Ineens schiet een nieuwe gedachte door me heen.
Is dit echt mijn hele leven dat ik zie?
Of ben ik gewoon bang?
Een seconde later trek ik aan het koord.
Met een harde ruk opent de parachute zich boven me.
Mijn lichaam schokt omhoog.
De stilte die volgt is bijna onwerkelijk.
Geen razende val meer. Geen storm van herinneringen.
Alleen de wind.
Ik zweef.
Onder me ligt dezelfde wereld als een paar minuten geleden, maar toch lijkt alles anders.
De velden zijn niet zomaar velden.
De wegen niet zomaar wegen.
Alles leeft.
En ik leef ook.
Ik kijk omhoog naar de bolle parachute boven mijn hoofd en glimlach.
Mijn leven schoot niet langs omdat het voorbij was.
Mijn leven schoot langs omdat het me eraan wilde herinneren hoeveel ervan nog voor me ligt.
Langzaam daal ik verder naar beneden, terwijl de zon over het landschap schijnt.
Voor het eerst in lange tijd heb ik niet het gevoel dat ik val.
Ik heb het gevoel dat ik vlieg.

Een compleet verhaal, dat ik met plezier heb voorzien van redactionele opmerkingen, tussen haakjes. Normaal gesproken maak ik de opmerkingen blauw, zodat ze goed te onderscheiden zijn van de eigenlijke tekst, maar dat ondersteunt de website niet – helaas. Komt-ie:

De deur van het vliegtuig staat open. (Staat of gaat?) De wind grijpt meteen naar binnen (De deur was al open, dus de wind grijpt steeds al naar binnen.) en trekt aan mijn kleding alsof hij me nu al naar buiten wil sleuren. (Nu al? En is ‘hij’ de wind? Dat laatste is wel duidelijk, maar ‘… alsof hij me naar buiten wil sleuren’ is voldoende.) Ik schuifel dichter naar de rand. (Schuifelen? Dat duidt op lopen. Meestal, zo denk ik, zitten parachutespringers op de vliegtuigvloer.) Onder me ligt de wereld als een landkaart: groene velden, zilveren sloten, kleine wegen die zich als linten door het landschap slingeren. (Dat klinkt mooi, maar is een beetje vlak, af en toe een geeld veld is ook interessant. En ‘Onder me een landkaart,’ is dezelfde opening maar de helft van het aantal woorden.)
Mijn hart bonst zo hard dat ik het zelfs door het geraas van de motoren heen hoor. (Boven de motoren uit? En de vraag is hoe een verteller dat voelen kan. Wil je dit vertellen, maak het dan echt fysiek, bonkend, in het lijf, in je keel…)
“Ga maar!” roept de instructeur. (Dubbele aanhalingstekens zijn erg ouderwets en lelijk. Waarom geen ‘enkele’?)
Ik kijk naar beneden.
En spring.
Op hetzelfde moment dat mijn voeten het vliegtuig verlaten, lijkt de tijd uit elkaar te vallen.
(Oké oké, kalm aan, eerst een beetje vliegen lijkt me.)
De lucht slaat tegen mijn gezicht. Mijn maag schiet omhoog. Ik val. (Juist.)
En terwijl ik val, schiet mijn leven langs me heen. (Dat was de schrijfopdracht en dat weten lezers niet, maar het voelt wat letterlijk. Kan weg. Dat van die tijd die uit elkaar valt kan hier, dat was wel mooi gezegd.)
Ik zie mezelf als kleuter in de achtertuin. Ik ren achter zeepbellen aan die in de zon glinsteren. (Dat de verteller zichzelf ziet is wel duidelijk, en dat-ie kleuter is daar komt de lezer wel achter. Je kunt meteen beginnen met: ‘Ik ren achter zeepbellen…) Mijn moeder lacht vanaf het terras. Ik hoor haar stem alsof ze vlak naast me staat. (Wat zegt ze? Wees specifiek. En een lachende moeder is heel leuk, voor dat kind, in een verhaal zijn personages die lachen te vlak. Alsof ze niet gewoon toe mag kijken, maar van de schrijver, van jou dus, moet lachen.)
Ik val verder. (Goed, dat gebeurt op dit moment en dat weer de lezer al, en sorry voor het ogenschijnlijk onbenullige detail, maar wees je ervan bewust dat sommige lezers hier denken aan de beroemde Spaanse wielrenner Valverde.)
Ik zit op mijn eerste schooldag. (‘Mijn eerste schooldag.’) Mijn nieuwe rugzak voelt veel te groot. (Mijn nieuwe rugzak is veel te groot? En waarom een nieuwe rugzak, dat is op zich wel logisch op een eerste schooldag, dus voegt ‘nieuwe’ iets toe?) Mijn handen zijn klam. Ik ben bang dat niemand met me wil spelen. (Die angst is goed en aannemelijk, maar zo verteld weet de lezer meteen: dat zal wel meevallen, die jongen heeft zo vriendjes. Dus die angst was er even, maar is niet een allesbepalend ding in het leven van deze verteller. Laat hem liever zien op een moment dat iedereen speelt en hij alleen ergens zit, zodat de lezer voelt: die heeft geen vrienden.)
De wind giert langs mijn oren. (Mooi. Maar… wat er vooral gebeurt tijdens een parachutesprong: je wangen wapperen. Je gebruikt hier voor de tweede keer de wind, en de lezer heeft dat nu wel gezien. Later trouwens, ik heb gezocht op ‘wind’, komt nog een keer de wind terug, dat is te veel. Gebruik een ander woord of schrijf specifiek iets over die luchtverplaatsing en hoe je daar als verteller fysiek in zit.)
Ik zie hoe ik mijn eerste vriend maak. (Zie je wel. En op zich is wel duidelijk dat de verteller dit ziet, dus: ‘Ik maak mijn eerste vriend,’ is strakker.) We bouwen hutten van takken en oude dekens. We zweren dat we voor altijd vrienden zullen blijven. (Dat kondigt een verlies aan, goed. En wees ook hier specifiek: oude dekens zijn goed, maar die takken zie ik nog niet voor me. Wat voor hout? Wilgen, oud dor hout, geschaafd?)
De aarde komt langzaam dichterbij. (Niet snel? Ik mis hier het vallen en de spanning van het moment. In deze zin valt de verteller niet, hij zit in een leunstoel.)
Ik zie mijn vader die me leert fietsen. (Idem: zien. ‘Mijn vader leert me fietsen.’) Eerst houdt hij het zadel vast. Dan laat hij los zonder dat ik het merk. Pas als ik omkijk, zie ik dat ik alleen rijd. (Goed.)
Mijn armen trillen in de lucht.
Ik zie verjaardagen,
(Idem) vakanties, voetbalwedstrijden, regenachtige middagen waarop ik urenlang boeken lees. Alle gewone momenten waarvan ik nooit dacht dat ze belangrijk waren.
Maar nu zijn ze dat wel.
(Dit is een gedachte die erg algemeen is, en ook de opsomming van vakanties en die middagen is zo algemeen dat de verteller wel kan zeggen dat hij dit allemaal voor zich ziet, maar hij geeft de lezer geen beeld om dit ook voor zich te zien. Noem liever één voorbeeld, zoals met die fiets. En het benoemen van hoe belangrijk die momenten zijn, dat neemt spanning weg. Het maakt de gedachte belangrijker dan het vallen. Tijdens het vallen een besef krijgen dat je na al die mooie momenten te weinig hebt gedacht aan die momenten is sentimenteel en onwaarschijnlijk. Laat je verteller vooral lekker fysiek vallen.)
Ik val nog steeds. (Juist! Al is dat ‘nog steeds’ wel duidelijk.)
Ik zie mezelf als puber. (Idem: zie.) De eerste keer dat ik verliefd ben. De eerste keer dat mijn hart breekt. (Hier hou je informatie achter. Laat zien hoe dit ging. Door wie? Hoe deelde die ander de breuk mee, details?) De nachten waarin ik wakker lig en denk dat niemand me begrijpt. (Ook wat sentimenteel, liever alleen dat wakkerliggen. Beschrijf de kamer, het bed, geluiden, het donker…)
De wolken schieten voorbij.
Ik zie examens, diploma’s, nieuwe banen. Ik zie fouten die ik maak. Woorden die ik liever niet had gezegd. Kansen die ik laat liggen omdat ik bang ben.
(Ik begrijp dat je je iets te netjes aan de opdracht hebt gehouden: het langs schieten van je leven heb je vertaald naar ‘Ik zie, ik zie…’ Een gemene redacteur zou aanvullen: ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.’ Want de lezer ziet dit niet voor zich. Kortom: geef beelden.)
Mijn adem stokt. (Goed.)
Dan zie ik de goede dingen. (Idem: zien, specifiek)
Vrienden die blijven.
Mijn oma die mijn hand vasthoudt in het ziekenhuis. (Ja, zo zonder ‘zien’ is veel directer, mooi!)
De dag waarop ik besef dat geluk niet zit in grote overwinningen, (Wablief?) maar in kleine momenten die je bijna over het hoofd ziet. (De lezer ziet dit ook over het hoofd, geef ook hier een beeld voor dat kleine geluk. Zoals dat handje dat je oma vasthield – dat werkt heel anders, voel je dat verschil?)
De grond komt steeds sneller dichterbij. (Ja, toch wel snel. Goed.)
Voor het eerst denk ik niet aan wat ik allemaal nog moet doen. Niet aan geld, werk of zorgen.
Ik denk alleen aan hoe bijzonder het is dat ik er ben.
(Door te zeggen dat je ergens niet aan denkt denk je er juist wel aan – kleine valkuil; van de ik-verteller. In de derde persoon zou zo’n zinnetje wel kunnen.)
Dat ik al die jaren heb mogen leven.
De huizen worden groter. (Is er een verband tussen dat leven al die jaren en de huizen worden groter? Ik dacht hier even: het is zijn ontwikkeling geweest dat hij begon in een klein appartement, maar een aantal keer een groter koophuis heeft kunnen bemachtigen, maar het duidt op het vallen en dat de huizen daardoor dichterbij komen.)
De bomen krijgen weer bladeren in plaats van groene vlekken. (Hier ben je specifiek, maar wel erg specifiek, en de bomen hadden geen groene vlekken, ze waren groene vlekken. En dan nog, volgens mij is de parachute nog niet open, dus hij is nog echt wel hoog, en blaadjes kun je dan nog niet zien.)
Ineens schiet een nieuwe gedachte door me heen. (Laat hem gewoon denken, dit benoemen van de gedachten kan weg.)
Is dit echt mijn hele leven dat ik zie? (Eh… Idem voor ‘zien’, want hier vertelt hij eigenlijk niet wat hij ziet, of het moet al het voorgaande zijn. ‘Is dit echt mijn hele leven,’ is voldoende, meteen gevolgd door de volgende zin.)
Of ben ik gewoon bang? (Ja, goed.)
Een seconde later trek ik aan het koord. (Waarom precies die seconde wachten? ‘Ik trek aan het koord’ kan ook. Die tussenpose voegt weinig toe.)
Met een harde ruk opent de parachute zich boven me. (Volgorde is anders: eerst opent de parachute zich, dan volgt de harde ruk.)
Mijn lichaam schokt omhoog.
De stilte die volgt is bijna onwerkelijk. (Ja!)
Geen razende val meer. Geen storm van herinneringen.
Alleen de wind.
(Die is nu juist zachter, en misschien lijkt het wel of de wind juist verdwenen is.)
Ik zweef.
Onder me ligt dezelfde wereld als een paar minuten geleden, maar toch lijkt alles anders.
(Volgens mij wil je zeggen dat door de sprong de wereld veranderd is ondanks dat-ie er hetzelfde uitziet. Kan eigenlijk wel weg, want de volgende zinnetjes vertellen dat wel.)
De velden zijn niet zomaar velden.
De wegen niet zomaar wegen.

Alles leeft. (Ehhh oké, waarom opeens die conclusie? Eerst was dat alles niet dood of zo.)
En ik leef ook. (Gelukkig maar, volgens mij bedoel je dat door de sprong de verteller voelt dat-ie leeft. En het is de bedoeling dat de lezer dat ook voelt, en dat kan als in een eerdere fase het zien en kijken en het letterlijk benoemen van gedachten beperkt wordt.)
Ik kijk omhoog naar de bolle parachute boven mijn hoofd en glimlach. (Obligaat, en wat geldt voor glimlachende personages geldt ook voor glimlachende vertellers, lachen is een vlakke uitdrukking.)
Mijn leven schoot niet langs omdat het voorbij was. (Nu komt het!)
Mijn leven schoot langs omdat het me eraan wilde herinneren hoeveel ervan nog voor me ligt. (Oké, een conclusie die er iets te dik bovenop ligt, vooral uitleggerig door ‘omdat’… Maar ik begrijp waar je naartoe wilt.)
Langzaam daal ik verder naar beneden, (Dat dalen is steeds al in gang.) terwijl de zon over het landschap schijnt. (Die zon is er ook steeds al. Ik voel dat je naar een afsluiting toewerkt, daar ligt de nadruk wel erg op. Laat je verteller gewoon landen. Vertrouw op de handeling.)
Voor het eerst in lange tijd heb ik niet het gevoel dat ik val. (O, had hij dat gevoel steeds tijdens zijn leven? Dan is er echt iets met hem aan de hand, dat is een heel ander verhaal…)
Ik heb het gevoel dat ik vlieg. (De verwijzing naar Manon Uphoffs Vallen is als vliegen kan ik zeer waarderen, schitterend boek, al draai je het ook om. Het gevoel van vliegen, die vrijheid, dat snap ik.)

Natuurlijk bedankte ik ChatGPT voor het verhaal. Er kwam een snelle reactie:

janvanmersbergen