Het was vroeg in de avond. Op de gracht net om de hoek van de stamkroeg was een partytent neergezet, de achterste pootjes bijna op de rand, de voorste pootjes bijna op de straat, die ontzettend smal is en waar je eigenlijk amper met een auto door kunt. De tekenaar presenteerde zijn boek.
Het was dertig graden, en de gracht lag vol in de zon, dus de schrijver koos positie in het korte doodlopende zijstraatje, waar ook de performances zouden plaatsvinden. Aanwezig van de stamtafel: de kunsthistoricus, en natuurlijk de kunstrecensente.
Op de begane grond draaide Vic van de Reijt plaatjes. Inmiddels als uitgever al een tijdje met pensioen, zijn muziek is altijd jong van geest. Buiten andere muziek: een jonge accordeonist die het geweldige lied Veerpont speelde en zong, door vrijwel iedereen enthousiast meegezongen.
Omdat het boek van de tekenaar over boten gaat is het lied van Drs. P. bijzonder treffend, zeker aan de rustieke gracht in het centrum van Amsterdam.
Wij zijn hier aan de oever van een machtige rivier
De andere oever is daarginds, en deze hier is hier
De oever waar we niet zijn, noemen wij de overkant
Die wordt dan deze kant, zodra we daar zijn aangeland
En dit heet dan de overkant, onthoudt u dat dus goed
Want dat is van belang voor als u oversteken moet
Daarna kwam er een doedelzak die naast de bespeelbare fluit geen pijpen had maar een lange hangende houten Alpenhoorn. De schrijver hoorde later dat het een Baskisch instrument is. De tekenaar droeg gedichten en liederen voor, samen met deze doedelzak.
Beroemde aanwezigen: Maarten Spanjer, Joris van Casteren, Nadia de Vries, Serge van Duijnhoven en Carolina Trujillo. Die laatste had haar hond mee. De schrijver haalde een bakje water voor de hond, die vrij angstig was. Ook leuk: het personeel van de stamkroeg was aanwezig, gewoon in burger.
Er stonden ontzettend veel mensen op de gracht en het autoverkeer moest en zou doorgaan, zoals Drs. P. in 1973 al in zijn lied beschreef:
Dat zou nog best eens kunnen, want er is hier veel verkeer
En daarom vaar ik steeds maar vice versa heen en weer.
Naast de partytent stond een hoge sta-tafel, met daarbij twee oude metalen klapstoeltjes. De kunsthistoricus en de schrijver zagen in die zeer lage stoeltjes en de hoge tafel direct een surrealistisch beeld, en toen ze eenmaal plaatsnamen veranderden ze in kleine jongens, niet om het minst omdat ze allebei petjes droegen – tegen de zon.
Op die manier voltrekken de avonden in het stamcafé zich: vanuit een blik op iets kleins, blijkt via een associatieve gedachte dat de stamgasten niet zo zeer verbonden zijn door die plek, door de bar of door het gezelschap, het is dezelfde denkrichting die bindend is.
Zo denk ik dikwijls over het geheim van het bestaan
En dat ik op de wereld ben om heen en weer te gaan
Wij zien hier voor ons oog een onverbiddelijke wet
Want als ik niet de veerman was, dan was een ander het
En zulke overdenksels heb ik nu de hele dag
Soms met een zucht van weemoed, dan weer met een holle lach (ha-ha-ha-ha-ha –)
Toen de zon achter de huizen aan de andere kant van de gracht verdwenen was waren alle dozen van het CB (Centraal Boekhuis) leeg, de boeken verkocht en uitgebreid gesigneerd, met tekst en tekening, was het bier op en werd de opklaptafel die in de keuken als bar dienst had gedaan weer opgeklapt.
Tot vrijdag, op de vaste plek, een paar straatjes verderop.
