Het moeilijkste aan schrijven is niet het vinden van een onderwerp, het maken van goeie zinnen, het optuigen van een personage, het kiezen van een vertelperspectief, het inkleuren van het decor, het realistisch laten verlopen van dialogen, het gebruik van flashbacks, die treffende beginzin of het durven zetten van een punt. Het moeilijkste aan schrijven is het wachten.
Heb je een eerste versie van een manuscript liggen en laat je het lezen, maakt niet uit aan wie, dan begint het wachten. In het geval van een professionele uitgeverij: dan begint het lange wachten. In het geval van een literair tijdschrift: het zinloze wachten.
Literaire tijdschriften hebben er een handje van gewoon niet te reageren. Niet. Geen mailtje: bedankt voor de inzending. Geen info: we hebben het helaas druk dus lezen kost ons maanden. Zelfs geen afwijzing, als het daar uiteindelijk op neerkomt.
Bij de Revisor, waar ik tien jaar in de redactie vertoefde, kostte het me jaren om de uitgeverij alle inzenders van ongevraagde kopij een ontvangstmailtje te laten sturen. Dat lukte op een gegeven moment. De afwijzingen deden we zelf.
Ooit schreef ik een verhaal dat ik naar literair tijdschrift stuurde. Lang geleden. Ik hoorde niks. Geen ontvangstbevestiging. Niks. Vier maanden later vroeg Alfred Schaffer, die korte tijd bij uitgeverij Cossee mijn redacteur was, me of ik nog een verhaal had liggen – voor Bunker Hill. Dat had ik wel, maar dat verhaal lag dus bij dat andere tijdschrift.
Alfred las het verhaal en wilde het plaatsen, en als Alfred een verhaal wil plaatsen dan is get goed. Ik mailde dat andere tijdschrift dat ze het verder konden vergeten met dat verhaal, het werd al elders geplaatst. Binnen vijf minuten kreeg ik een mailtje terug: Dat is jammer, want ik had nog wel wat op- en aanmerkingen.
Of de redacteur mijn verhaal gelezen had weet ik niet, en iemand kan natuurlijk mijn verhaal totaal niet waarderen, maar zijn happige toon om te laten zien dat hij het beter weet dan andere redacteuren op een moment dat het hem uitkomt vertelde me voldoende over zijn insteek, en over het complete tijdschrift. Dit waren geen liefhebbers, hier genoot een redacteur van zijn positie.
Bij een manuscript dat in eerste versie naar een uitgever gaat: wachten. Een bevriend uitgever die ook stamgast is in de kroeg zei me ooit: Je moet snel lezen en snel reageren. Hij vertelde dat nadat ik hem uit de doeken had gedaan hoe lang ik soms bij mijn vorige uitgever moest wachten op een lezersreactie, en ook op het maken van een planning voor uitgave. Eindeloos.
Dat laatste zorgde onder andere voor een wisseling van uitgeverij. Er waren meer factoren, maar het lange wachten, gekoppeld aan gebrek aan duidelijkheid, leverde veel onrust op. Die overstap pakte goed uit want mijn huidige uitgever is vlot, in alles. Lezen, aanbieding, overleg, nieuwe plannen, contact, alles gaat flitsend. En dat bevalt me heel goed.
Wat het moeilijkste is aan wachten: de tekst ligt er, maar als schrijver ga je daar pas weer mee aan de slag als je van een redacteur gehoord hebt op welke punten er geschaafd kan worden. Dat zorgt voor onrust, en ongeduld. Een maandje een boek laten liggen, om het daarna weer op te pakken en opnieuw te lezen en bekijken is goed. Een half jaar is niet te doen.
Lange tijd was mijn oplossing voor dat wachten: schrijven. Dan ging ik alvast verder met een nieuw project. Dan probeerde ik een verteller uit, zocht ik info op, maakte een opzet, schreef een paar hoofdstukjes, probeerde een thriller te schrijven… Dat probeer ik de laatste jaren niet meer te doen.
Tegenwoordig zorg ik voor plantjes, als ik moet wachten. In huis staan zestien planten. Ik geef ze water op een vaste dag, verpoot ze als dat nodig is, knip ze bij. In de tuin staan vooral boompjes. Een eucalyptus die ik jaren terug plantte als vervanging voor een reus van een berk, die ik omzaagde omdat-ie te groot werd, vraagt ook snoeiwerk.
Op de korte stam van een vogelkers groeien sprieten die ik knip als een knotwilg. Verderop staat een eik die ik ook klein wil houden, al groeit hij heel langzaam. Een soort bonsai. Het blad is in het voorjaar rood, nu mooi heldergroen.

Ook staan er een es en een esdoorn, maar die hebben moeite met de verplaatsing van laatst. Er zijn ook nog een paar struiken, die eigenlijk groter zijn dan de boompjes, en die knip ik minder bij omdat ze op de juiste plek staan voor schaduw in de tuin. De meeste tijd is het water geven, beetje knippen, plantjes die opkomen en daar niet horen weghalen…
Wachten is: kijken naar hoe bomen groeien.