De roman waar ik momenteel aan werk verschijnt pas over twee jaar. Hieronder een losse scène, van een willekeurig personage. Het hoofdstukje heet: 22.15. De opzet is dat ieder hoofdstuk begint met het tijdstip waarop de scène speelt. De zeven delen staan voor de van de week dagen.
*
Haoyu is dronken. Lan ligt naast hem op het bankje in deze benauwde club. Twee anderen zitten een eindje verderop, alsof ze er niet bij horen, maar hun pak en uiterlijk vertelt iedereen: die horen bij de groep bamboevlechters.
De begeleider van de club is vertrokken, een man die Johnny heet en door de Chinezen van de delegatie Depp werd genoemd. Waar is hij? Heeft hij betaald?
Ze zijn op de benedenverdieping, maar aan de achterkant van de zaak. Voorin is een balie, achter een zware voordeur. Luifeltje, stoepje, aan de overkant van de straat, waar met veel lawaai een tram doorheen rolt twee mannen in rolstoelen. Depp vertelde hem dat het een revalidatiecentrum is, en dat de rokers altijd op dat stoepje zitten.
Het busje stopte voor de deur, dubbel geparkeerd, alles is hier krap en smal. Depp belde aan. Geen vrouwen, zei de eigenaresse toen ze Lan zag, maar Depp loodste ook haar mee naar binnen en zei tegen Haoyu dat ze haar wel een biertje extra zouden voorzetten, met een jenevertje, dat zou afdoende zijn.
Dat blijkt.
Lan ligt met haar hoofd op zijn schouder en hij kijkt zelf wazig voor zich uit naar de bankjes waar alleen nog twee grote kale mannen van een groepje Australiërs over zijn, achter enorme glazen bier.
Depp kocht voor hen dienbladen bier, lachend. Welcome in Amsterdam, schreeuwde hij. Heineken for everybody.
Hij dronk te veel en nu kan hij maar net de vrouw onderscheiden die in de deuropening is gaan staan. Ze kijkt naar de twee andere Chinezen van zijn delegatie, die direct naar hem wijzen. De baas. The chef. Bij hem moet je zijn, hij mag eerst.
De vrouw is groot en donker. Wel knap, en rond, dat ook. Hij heeft zich verbaasd over hoe lang de Nederlanders zijn, zoals vrijwel alle Westerlingen, en ook de Australiërs groot en lang en log zijn. Hij is zelf amper een meter zeventig, en dan ben je hier een dwerg.
Lan snurkt.
De grote vrouw komt voor hem staan en zegt: Let her sleep.
Haoyu knikt, gaat iets rechtop zitten en legt een hand over Lans kin, om haar hoofd te ondersteunen. De vrouw helpt hem en zegt ondertussen: My name is Brooklyn Rose, but they call me Petite Princess.
Princess, herhaalt Haoyu.
Het bier en die twee jenevers keren terug in zijn mond. Hij knikt naar Princess, die hem vraagt om mee te gaan, enkel door haar hand uit te steken. De anderen zijn al geweest, hij weet het. Het is een typische zakenreis. Deze avond stond niet in het programma, maar de week was lang en overdag liepen ze stad en land af, tot de Zaansche Schans aan toe, en de tulpenvelden en de grachten en het paleis op de Dam, ze aten bij het Seafood Palace niet ver van hun hotel, en hij wist dat ze zo’n club zouden bezoeken.
Lan wilde eigenlijk naar het hotel. De vorige reis sliep hij één nacht bij haar, maar er is iets veranderd. Deze week is ze zwijgzaam en op zichzelf en de aanraking zojuist, haar hoofd op zijn schouder, was de eerste keer dat ze dichtbij kwam. Ze heeft een ander, weet hij. In China. Thuis.
Hij zal haar niet meer meenemen, weet hij nu hij met de prinses door de smalle ruimte loopt, onder het rode licht, en haar handje vasthoudt. Een grote hand. Grote voeten ook, ziet hij.
Ze kiest de trap, die ook ontzettend smal is. Haoyu volgt haar. De enorme kont van de prinses deint voor hem uit, en zijn ogen worden wazig en hij kan amper adem halen en hij denkt: laat het allemaal maar gebeuren. De drakenboot zal deinen, het water zal spetteren, de finish komt dichter en dichterbij.