Aan de grote tafel bij het raam zaten de kunsthistoricus, de beroemde columniste, de documentairemaker, de tekenaar, de kunstrecensente, de uitgever, en de schrijver. De presentator was heel even naar binnen gelopen en niet veel later zonder omkijken weer naar buiten. Verder waren de echte oude stamgasten, de dino’s, er niet – maar het was nog vroeg.

Het was even vechten om de tafel te kunnen krijgen. Aan iedere hoek zaten twee of drie mensen – daar konden ze met z’n achten nooit bij, maar toen ze nog met z’n drieën waren wurmden ze zich ertussen en langzaam kwamen de anderen binnen en werd het rumoeriger en drukker, de tafel werd natter, de viltjes verdwenen, en we kregen onze plek. Dat wil zeggen: die andere mensen vertrokken.

De jongen van de bar zei bij het opnemen van de bestelling: Whatever. Hij ziet er heel jong uit, maar hij is erg goed in tappen en serveren, en ook in het aannemen van de lege glazen die hem aangereikt worden nadat hij de volle glazen van het dienblad op tafel heeft gezet. De kunsthistoricus bestelde zes pompies en een Es Pee Aa Red Label (spa rood). Whatever.

Waar ging het over aan de tafel? De beroemde columniste zei dat niemand haar laatste column hoefde te lezen omdat die toch niet goed was, de tekenaar was gestopt met roken en dat ging goed, maar hij  moest af en toe buiten de rook van anderen opsnuiven, de schrijver had goed nieuws gekregen, de kunsthistoricus was in Rome geweest, de uitgever droomde over Ierland.

Aan de muur hing een poster van de Surinaamse band die in Paradiso op zou treden. Niemand kende de band, behalve de schooljuf. Ze zei dat het een bijzonder goeie band is. De schrijver zei dat ze dan maar kaartjes moesten gaan kopen. Met z’n allen naar dat concert. De kunsthistoricus zong: Kleine wasjes, grote wasjes, doe ze in de wasmachien. Laat maar lekker draaien.

De week erop zat een andere uitgever, een vrouw, buiten aan een van de kleine tafeltjes. De schrijver kwam aangelopen en schoof bij op het bankje want ze hadden een afspraak om een boekje te maken en ook al duurde het nog jaren, het is altijd fijn om even bij te kletsen.

Die uitgeefster keek kort naar binnen en vroeg aan de schrijver: Die vaste gasten hier, zijn dat nou jouw vrienden?

De schrijver dacht na. Binnen zaten de kunsthistoricus en de documentairemaker aan de bar. De beroemde columniste zou ook nog komen, en de tekenaar en de kunstrecensente ook. Daar zou hij zo dadelijk bij gaan zitten. Voor hem zijn het vrienden, maar vrienden voor in de kroeg. Hij zei: Ze zijn nog nooit bij mij thuis geweest.

Dat vertelde het verhaal. Het werd hoe dan ook een leuke avond. De documentairemaker herhaalde maar weer een keer tegen de schrijver dat hij een gevaar was, een farizeër, niet alleen omdat hij geen alcohol meer dronk maar omdat hij alles wat er gebeurde en gezegd werd op kon schrijven. Hij kon onthouden wat de anderen zouden vergeten.

Dat klopt.

janvanmersbergen