De tweede opdracht op de laatste workshopavond luidde: Schrijf een verhaal dat speelt in de tijd van de eerste mens, duizenden jaren geleden, in 300 woorden. Oertijd! Perspectief is vrij. Derde persoon of ik-verteller. De tijd ook. Is er al vuur, zijn er wielen, is het koud?
De opdracht waar ik iedere workshopreeks mee afsloot ging altijd over plezier hebben in fictie, over ruimte geven om iets te verzinnen en tegelijk de uitdading aangaan om over iets te schrijven waar je amper iets vanaf weet. Hoe ging dat uitpakken?
Zouden de schrijvers vanuit een ik-verteller met beperkte woordenschat een verhaal optekenen of juist alleen beschrijven wat de oermensen in die tijd deden? Welke beperkingen kent het schrijven over die tijd? Hadden ze woorden voor licht en donker, voor eten?
Een van de deelnemers, Emanuel Muris, schreef een wonderschoon verhaal waarin kleuren en natuurkundige verschijnselen wel een naam hebben, handelingen getoond worden, maar geen taal als dialoog voorkomt. Het is fysiek en ritmisch, mysterieus en toch helder, en omdat het een voorbeeld is van zelfopgelegde schrijfbeperkingen samen met schrijfplezier plak ik het graag hieronder:
Wachten… Wij wachten. Boven ons is het rood. Nog even en dan zal dat wat boven is stralen, stralen in al zijn blauwheid. Wij wachten op Marlok. Hij gaat ons de gele, rode, hitte brengen. Opgeslagen in het kleine zwart. Het kleine zwart waar er meer van zijn. Marlok kan de witte hitte vangen. Hij vangt de hitte in de zwarte dingen. Nu wachten we. Daarvoor; voor het wachten. Zijn we in het groene groen; waar we rennen en grijpen. We grijpen dat wat we kunnen pakken en eten. Het ligt voor ons. Wij. Wachten. Wij wachten.
Voor Marlok wordt de warme witheid gehouden. Wij maken geluid. Wij gaan een stuk omhoog. Omlaag. Omhoog. Omlaag. Luider. Luider. Luider. Worden onze klanken. Het eten wordt op de warmte gelegd. Dat waarmee we kijken gaat auw doen en we sluiten waarmee we kijken af van de hitte om geen auw meer te hebben.
Wij wachten. In ons is er iets dat veel plek heeft. Er is een ruimte in ons die geen ruimte meer wil zijn. Het wil een dichtheid zijn. Zo dicht als dat waar we op staan en liggen. Het is klaar. We pakken en grijpen in het eten dat op de hitte ligt. Wij gaan naar onze ingang die niet zichtbaar is. Warm. Erop duwen met onze binnen handen. We knijpen het warme, het eten met onze niet zichtbare handen. Dan gebeurt dat wat fijn is. De lege ruimte is niet meer leeg. Het wachten is niet wachten. Wij gaan lager. Wij wachten niet. De hemel kleurt zwart. Dat wat straalt is niet, niet boven ons. Het is laag bij ons. Geen geluid. Geen geluid van het rood, geen geluid van het blauw. Geluid van het zwart. Zwart. Zwart zonder hitte. Zwart zonder geel, zonder rood. Zwart. Zwart en zwart en zwart en zwart.