Voor het Literatuurmuseum schreef Thomas Heerma van Voss een groot artikel over A.F.Th. van der Heijden, recent verhuisd. Het start met het archief van de schrijver, dat sinds de verhuizing verdeeld is over verschillende locaties. Eigenlijk weet Van der Heijden niet goed wat hij en anderen met dat archief aan moeten. Het schrijven is de basis. Schrijven brengt materiaal met zich mee, dat gaat in dozen. Het schrijven zelf is iets wat hij moet doen: ‘Zo voelt het schrijven echt, als een verplichting, zelfopgelegd weliswaar, maar ik moet aan de taken voldoen.’

Het portret is een mooie blik in de wereld van deze schrijver. Vooral de schetsen die zijn bijgevoegd, waaronder agenda die de planning voor een roman weergeeft, met iedere zeven dagen een Romeins cijfer – ik denk een hoofdstuk, geven vastberadenheid aan. Hij gaat dit schrijven, iedere dag. Dat boek komt er.

Het artikel liet me teruggaan naar mijn eigen archief. Al maanden denk ik na over een vorm voor het schrijven over schrijven, op deze plek, mijn eigen website. Nu is terugkijken niet erg interessant, als het oud nieuws betreft. Wel kan mijn archief een inkijkje geven in hoe schrijven gaat. Hoe zagen mijn planningen eruit toen ik mijn eerste boeken schreef? Hoe vond ik mijn weg naar de uitgeverijen? Hoe reageer je op reacties op boeken? Waar zijn al die schrijvers gebleven die twintig jaar terug vastgelegd zijn op een polaroid in de Pels?

Graven dus, en dat gaat ver terug. Ik besloot te beginnen bij mijn eerste boek dat ik totaal zonder ervaring schreef in de zomer van het jaar 2000, en dat ik via een bekende (Dik Broekman, later uitgever bij Rubinstein) van de vader van een vriend (Frederik) bij uitgeverij Meulenhoff wist te krijgen. In het voorjaar van 2001 sprak ik in een klein en volgepakt zolderkamertje redacteur Wil Hansen. Hij had mijn manuscript gelezen, vanzelfsprekend, en zei: ‘We gaan een oeuvre bouwen.’

Na het gesprek mailde hij me, en dat mailtje heb ik destijds opgeslagen als kladbloknotitie, en ondergebracht in een mapje dat heet: 1 de grasbijter. Dat nummer om mee aan te vangen vind ik prettig, dan staan alle boeken in de map boeken op chronolgische volgorde. Alfabetisch zou een chaos betekenen, na verloop van tijd.

Maar dat mailtje dus, een eerste echte redactionele mail, met zeer overzichtelijk een aantal punten waar ik aan kon gaan werken, wat ik natuurlijk deed. De werktitel was overigens: Bermgras. Die titel is gesneuveld, en dat vind ik nog steeds jammer. Ook dat is een ander verhaal, eerst de mail:

*

Beste Jan,

Ik vond het erg aangenaam kennis met je te maken. Het gesprek dat we voerden, overtuigde me ervan dat je heel goed nadenkt over het boek waaraan je bezig bent – ik kan je verzekeren dat dat niet altijd het geval is bij schrijvers. Natuurlijk was ik al eerder van mening, namelijk door het lezen van Bermgras, dat je heel wat in je mars hebt, maar het is altijd prettig te merken dat er achter een manuscript een schrijver schuilgaat die openstaat voor een gedachtewisseling over het boek in kwestie en die prettig in de omgang is.

Over de positieve punten van je manuscript heb je al gelezen in mijn email aan Dik Broekman: het mooi treurige verhaal van de liefde van Francis voor Cecile, ingebed als die liefde is in het mooi treurige teruggetrokken leven, waarin het leven stilletjes en zonder enige opwinding verloopt. Het boek heeft een heel eigen toon, waarbij ik zo snel geen verwantschap met andere schrijvers zie. Ik zie, kortom, een prachtig boek in het verschiet.

Niettemin (we hebben er vanmiddag al over gesproken) kent het manuscript ook zijn zwakheden. Ik som er een aantal op.

1. Ik vind de fragmenten waarin anderen hun visie op Francis geven, eigenlijk geen van alle sterk. Waarom zou je andere visies op Francis geven? Het wekt de indruk dat je in enige zin objectiviteit nastreeft voor het beeld dat de lezer zich van Francis opbouwt. De lezer is mans genoeg om zelf zijn gedachten over Francis te bepalen, en het is altijd goed de fantasie van de lezer aan het werk te zetten. Vooral de scène waarin Cecile aan het woord is, vormt een teleurstelling: de spanning of de liefde van Francis ooit beantwoord zal worden, wordt in één keer weggenomen.

2. Het boek wekt de eerste twintig dertig bladzijden de indruk alsof het een lofzang is op het leven op het platteland, en een treurzang op het moderne leven; later blijkt het boek een heel ander centrum te hebben. Dat lijkt me niet goed, omdat de verhoudingen zoek zijn. Het is heel goed voorstelbaar dat de hoofdpersoon bij uitstek gehecht is aan zijn omgeving, aan het platteland waar hij is opgegroeid en waar hij eigenlijk het enige bezit dat hem een beetje troost in het leven biedt. Zo’n liefde zou eigenlijk niet uitgesproken moeten worden (dat wordt te veel tendensroman), maar onderhuids aanwezig moeten zijn. Maak het voelbaar door de gehechtheid van Francis aan de omgeving waarin hij woont tastbaar te maken.

3. Je hebt gekozen voor een scènische opbouw, en dat is, als we vanuit Francis redeneren, wel sterk: hij is iemand die kijkt, observeert, en eigenlijk niet erg reflecteert – zo is zijn geest niet. Maar niet alle scènes kunnen op zichzelf staan, ze hebben op zichzelf niet allemaal genoeg substantie. Elke scène zou, zelfs los van de context, genoeg kracht moeten hebben om overtuigend te zijn. Daar zou je nog eens goed naar moeten kijken.

4. Je gaf zelf al aan dat je bezig bent met een uitwerking van de liefde van Francis voor Cecile: in het huidige manuscript is het allemaal voorbij als Francis eenmaal naar de stad is geweest, maar het zou inderdaad goed zijn als je de spanning er even inhoudt door nog wat scènes toe te voegen waarin Francis alsnog probeert meer van Cecile aan de weet te komen, om weer met haar in contact te komen, enzovoort (dat maakt de tragiek ook groter). Dat zou dan niet moeten gaan via geforceerde daden (want zo is het karakter van Francis niet), maar via kleine activiteitjes.

5. Ik vind het eind van het verhaal (de draad over de weg) niet goed. Zo’n gewelddaad past helemaal niet bij Francis. Wat veel meer bij hem past is de voortzetting van zijn zachte treurnis. In een mooie laatste scène zou je die nog eens kunnen oproepen en dus voelbaar maken. Of je zou een eind moeten schrijven waarin Francis in opstand komt tegen zijn lot, maar dan op zijn manier: een gebalde vuist tegen de hemel, een schop tegen een hek.

6. Aan het eind stapel je trouwens het ongeluk wel erg op: de onenigheid met het vrijende paartje, de dood van de hond, de draad over de weg. Met het wegvallen van het laatste zou al veel gewonnen zijn – maar misschien moet het andere ook wat meer gespreid worden. Misschien kun je de scène van het vrijende paartje wel voor de ontmoeting met Cecile zetten: het geeft tragisch weer wat Francis mist – en dan lijkt hij het toch nog te krijgen.

7. Het zou goed zijn als Francis iets meer achtergrond krijgt: vader en moeder, broers en zusjes, zijn verleden – niet via uitvoerige scènes, denk ik, maar als flitsen door zijn observaties heen bijvoorbeeld.

Ik ben blij dat je de komende weken geconcentreerd aan je boek wilt werken. We hebben dus afgesproken dat je je manuscript in de week van 7 mei inlevert en dat we er op 18 mei over gaan praten, om 15.30 uur. Ik zie ernaar uit.

Met hartelijk groet, Wil Hansen

*

Bij een latere roman zei Wil tegen me, toen redacteur bij uitgeverij Cossee: ‘Je hebt goud in handen, maar…’ Dat heeft die eerste redactionele mail ook. Een paar complimentjes, en dan het mes erin. Met als doel: aanscherpen van iets wat al aardig is, maar beter kan.

Deze mail gaat over lezen, schrijven en over redigeren. In die vroege versie werd het verhaal bijvoorbeeld onderbroken door andere stemmen, zoals Cormac McCarthy deed in Kind van God. Dat vond Wil niks toevoegen. Verder over toon, opbouw, spanning, slot, mate van drama en achtergrond van de hoofdpersoon. Het was veel, het was schrikken, ik had een taak.

Van Wil heb ik geleerd dat de toon van een redacteur uiterst belangrijk is. Nu ik zelf veel als redacteur en begeleider werk heb ik zijn stem vaak in mijn achterhoofd, met daarbij zijn glinsterende oogjes die hij had als hij sprak over iets wat hem echt beviel in proza, en zijn kritische blik die daarna al gauw volgde.

De boodschap aan de jonge schrijver die ik was: laat die moeilijke kritische lezersblik vervagen en zorg ervoor dat bij deze lezer die glinsterende oogjes totaal de overhand krijgen. Dan zit je op het juiste pad.

Veel dank Wil, voor deze mooie mail en voor de redactie van latere romans, tot je vertrek bij Cossee.

In de Gids verscheen een interview met Wil, met de titel: Probeer iets te be-den-ken. Dat was precies wat ik destijds, in het voorjaar van 2001, probeerde. Iets bedenken.

Wil Hansen overleed dit voorjaar. De foto hieronder is uit 2019, bij de uitreiking van de Europese Literatuurprijs.

janvanmersbergen