Op de eerste dag van het jaar besloot ik een kano te kopen. Het voelde als de wens van een vijftiger om in een cabrio rond te rijden, of een bergtop te beklimmen, of een tattoo te laten zetten waar je levensverhaal in verwerkt is, en misschien is mijn kano ook wel zoiets – een eenmalige aankoop van een man midden in zijn vijftiger jaren. In ieder geval was ik erg blij toen de kano bezorgd werd.

Ik haalde hem uit de doos, mijn kano. Hij is zes meter lang. Hij paste amper in onze woonkamer. Ik legde hem in de tuin. Het was koud, dat was het eerste probleem. Bij een graad of vijf is een tuin met een kano erin heel raar. Toch voelde ik me, met een muts op en een dikke jas aan, heel gelukkig met mijn vaartuig.

Nu had ik voor een kano gekozen en niet voor een mountainbike, niet voor van die Nordic walking stokken, niet voor een houtgestookte pizzaoven of een auto met een open dak, omdat er achter ons huis een vaart ligt waar ik de kano, gezien het gewicht dat op de aanschafwebsite vermeld stond, gemakkelijk naartoe kon tillen. Ik kon meteen gaan varen.

Dat deed ik, op een vroege ochtend. Het was nog niet eens licht. Ik moest denken aan mijn tijd toen ik voor de krant werkte. Als ik in Amsterdam vertel dat ik voor de krant gewerkt heb dan denkt iedereen dat ik reportages heb geschreven, dat doet iedereen hier in de stad, vooral in mijn stamkroeg, maar ik was in mijn jeugd drie jaar krantenbezorger. De helft van de tijd was het donker, toen.

Er was niet echt een opstapje of een steiger alleen een verloopstuk van een gemaal. Van dat betonnen randje was het nog ruim een halve meter naar beneden, naar het water dat stil en donker en koud onder me lag, maar toch lukte het me om in de kano te komen, zonder te kantelen.

Ik peddelde weg. Dat was die ochtend de bedoeling. Wegpeddelen van welke plek dan ook. Wel weer terugkomen, maar vooral eerst een paar uurtjes weg. Ik gleed de vaart uit, die smal was. Op sommige stukken was het riet niet weggehaald, daar kraste de stengels langs de zijkant van de kano, beschadigingen die welkom waren, want iedere tocht geeft littekens.

Ik dacht aan de zaterdagen op het voetbalveld, die dit jaar anders verlopen. Ik train al een tijdje niet meer op de woensdagavonden – dat is zo’n beetje de enige avond op een doordeweekse dag waarop mijn vriendin en ik samen thuis zijn, en dan gaan we even zitten, kijken we tv (liefst een programma waar je niet je aandacht bij hoeft te houden) en kletsen we wat. Belangrijke momenten.

Het gevolg is dat er soms op zo’n zaterdag het woord trainingsopkomst valt. Ik wist dat van tevoren. Een aantal spelers zit nog altijd, we zijn vijftigers, vast in een soort selectievoetbal, waar we allemaal vandaan komen. Jij staat er even naast de eerste helft, gezien de trainingsopkomst. Dat soort opmerkingen. Ik vind een helftje wissel geen probleem, maar niet om deze reden. Ik keek eens naar de basis-elf. Twee spelers waren niet eens lid van de club.

Dus ik peddelde zonder training en zonder wedstrijdelement de buurt uit, kwam bij een dijkje waar ik bij een steiger gemakkelijk uit kon stappen en de kano uit het water kon hijsen om aan de andere kant van het dijkje waar het water veel hoger lag verder te gaan. Hier was het water breed, hier was alles open.

Het werd langzaam licht. Ik peddelde richting het oosten, naar het Amsterdamse Bos. De zon brak door de wolken boven de bomen. Dat licht deed me denken aan een vriend die afgelopen jaar zijn eerste boek uitbracht, een dichtbundel. Het mooiste project van het afgelopen jaar. Hoe kan iemand in een paar maanden tijd zo groeien?

Dat kwaakten de meerkoetjes bij Badhoevedorp, vrolijk gaven ze aanmoedigingen en ik wist dat ze voor mijn vriend waren. Hij zaagde zichzelf door, zoals een goochelaar een assistent doorzaagt. Soms bewoog hij nog even met zijn tenen om te laten zien dat hij nog wel aan elkaar zat, maar toch was hij doorgezaagd. Een illusie.

De meerkoetjes begrepen dat het geen illusie was, dat hij een ander mens geworden is door het schrijven en door het aangaan van iets wat al lang verstopt zat. Over een paar weken praten we erover in de bibliotheek van Haarlem, dat is een stukje de andere kant op, langs dezelfde ringvaart.

Ik dacht aan het incassobureau dat ik vorige maand bijna inschakelde. Bijna, want alleen het woord ‘incasso’ noemen was voldoende om de boekhandel die meende vijf weken na een optreden nog steeds geen haast te maken met de afgesproken vergoeding aan te zetten tot overmaken.

Ik vroeg me die hele periode dat ik op dat geld zat te wachten af waarom die mensen dachten dat ze zoiets bij mij konden maken. Het was een conflict tussen mijn twee families, begreep ik. Mijn afkomst is een combinatie daarvan.

Mijn vaders kant – Van Mersbergen – overkomt dit. We blijven vriendelijk, knikken, zeggen niet te veel. We geven andere partijen het gevoel dat het allemaal wel kan. Mijn moeders kant – Groenenberg – zei tegelijkertijd: Je laat niet met je sollen. Stellig, duidelijk, dit is de grens.

Toen ik de boekhandel een bericht stuurde dat ik het zat was en ik andere stappen moest ondernemen – incasso – toen hoorde ik mijn moeder: Helaas moet het blijkbaar zo. Voor haar was een afspraak een afspraak. Geen geouwehoer. Dat was haar familie.

Ik was het wachten zat, ik was de beloftes zat (Het komt in orde – Eind deze week is het geregeld – Maandag wordt het overgemaakt; en steeds niks.), ik moest wel wat achter de hand hebben, want ik sloot het bericht af met: ‘Ga ervanuit dat morgen bij mij ook daadwerkelijk morgen is.’ Dus ik had een incassobureau opgezocht en nam tot vier uur de volgende dag voor ik mijn factuur daarheen zou sturen.

De brede ringvaart en het kalme bewegen van de peddel in mijn armen, de kou van die ochtend, de kou van het water, spoelde die gedachten weg. Dat was het weggaan van dat ik voor ogen had gehad. Zo’n zakelijk conflict houdt me bezig, mijn twee kanten van de familie. De ene wachtend en mopperend, de andere grenzen stellen en optredens. Voor tien uur die volgende ochtend had ik mijn geld.

Bij het pontje, dat ergens in het voorjaar pas weer zou gaan varen, rustte ik uit. Ik had de wind, die minimaal was, een beetje tegen gehad, en ik zou op de terugweg een zetje in de rug krijgen. Daar keek ik naar uit.

Ik dacht aan mijn oom – de broer van mijn moeder – die in het rivierengebied soms een rondje ging fietsen en een route uitkoos waarbij het een flink aantal pontjes kon nemen. Met de racefiets. Dan zette hij die fiets tegen de reling en keek even over het water van de rivier. Hij was een man die ook weinig vroeg, maar voor wie een afspraak wel een afspraak was.

Daarom had ik deze kano gekocht. Het was geen cabrio. Ik had geen petje op of een sjaaltje om, ik voelde geen wind om mijn hoofd. Ik was dichter bij mezelf gekomen door te kiezen, door te doen, door het pontje op te zoeken en na te kunnen denken over hoe ik keuzes maak, hoe ik functioneer. Trainingsopkomst en incasso hadden daar invloed op.

Aan die woorden zat gekoppeld hoe anderen met me omgaan, soms. Hoe anderen tegen mij zeggen: jij zit nu even op de bank, terwijl een invaller die verder niks voor de club doet wel speelt. Hoe anderen tegen mij zeggen: Je wacht al op je geld, maar wil je svp nog even wachten met incasso. Nee lieve mensen, mijn moeder zou het hoofdschuddend aanhoren en net zoals ik een keuze maken.

In een kano bestaan die afwegingen niet, die omgang die dwingt tot keuzes. Dat was het werkelijke weggaan. Toen ik thuiskwam belde ik een oude vriend. Hij heeft een bootje met een dieselmotor erop die zachtjes schudt en bromt en net zoals de peddels van mijn kano zijn gedachten weg kan nemen, of kan verhelderen.

Ik zei hem: ‘Ik ben net gaan varen joh, in een kano.’ Hij moest erg hard lachen. ‘Is het weer zo ver?’ zei hij, want hij begreep meteen dat ik helemaal geen kano heb, maar dat ik het idee van een kano nodig heb om mijn gedachten even weg te kunnen peddelen.

»

janvanmersbergen