In de zomer van 1998 vlieg ik naar Ierland voor een rugzakvakantie. Mijn toenmalige vriendin vergezelt me. We hebben rugzakken mee; een tent, slaapzakken, matjes, wat kleding, natuurlijk een regenjas, en …
In het vliegtuig denk ik aan de gasfles die onderin mijn rugzak zit.
De deuren zijn al gesloten. Iedereen heeft de gordel vast. We rijden naar de startbaan.
Butaangas, zo’n blauwe. Vastgeschroefd aan mijn campingkookpitje. Er zit nog wat gas in. Dat heb ik thuis gecontroleerd door met de fles te schudden.
Niemand op het vliegveld heeft de blauwe gasfles opgemerkt. Mijn rugzak ligt vast onderin het ruim. Met daarin een gasfles met uiterst brandbaar materiaal.
We rijden harder, de wielen nog aan de bodem. Gezoem in het toestel.
Totaal niet aan gedacht dat zo’n flesje helemaal niet mee mag het vliegtuig in, ook niet in de ruimbagage.
Als we straks in de lucht zijn, zo denk ik heel stellig, dan explodeert de gasfles. Op een bepaalde hoogte, waar het koud is.
We vliegen. De wielen los van het asfalt. We koersen naar het westen, naar de zee waar ze over een paar minuten in zullen storten.
Of implodeert een blauwe gasfles juist? En neemt de fles alles in zijn omgeving mee bij het krimpen? Als een universum dat opeens kleiner en kleiner wordt, tot alles verdwijnt en niemand ooit meer iets hoort van dit vliegtuig naar Ierland.
Mijn toenmalige vriendin zit naast me. Moet ik het haar zeggen? Moet ik het de stewardess zeggen?
Over een paar minuten zijn we allemaal dood.
Ik had eerder iets moeten doen, toen we nog over de startbaan reden. Nu is het te laat. We hangen in de lucht. Nu nog iets zeggen betekent alleen maar: paniek.
Mensen gaan gillen. Het nieuws zal de piloot bereiken. Die zal aansturen op een noodlanding in zee, en dan zullen ze wel zien hoeveel passagiers het zouden overleven. Kansen pakken, kansen spreiden.
Beter dat wellicht een paar mensen achterin het vliegtuig zachtjes in het water neerkomen, dan dat iedereen van tien kilometer hoogte neerstort.
Mijn toenmalige vriendin oogt heel kalm. Zij weet van de gasfles, maar ze denkt daar niet aan. Met die gedachte kun je niet zo relaxed op pad gaan, de ogen gesloten, haar hoofd tegen de rugleuning.
Heerlijk op reis.
Ik kijk naar de mensen om ons heen. Twee oudere Ieren schuin voor ons. Twee mannen. Ze gaan vast terug naar huis. Ik zie een gezin met twee jonge kinderen. De moeder heeft een Twents accent. Er zitten een paar jonge mensen, jonger nog dan wij. Studenten die met vakantie gaan. Kamperen, of in hostels slapen. In Ierland langs de kusten zwerven.
Zullen ze straks deeltjes van de ontplofte gasfles terug kunnen vinden? Zullen ze kunnen zien dat die gasfles in mijn oude groene rugtas gezeten heeft?
De namenlijst van de passagiers ligt vast al ergens bij de luchtvaartmaatschappij, in een digitaal archief. In één klik tevoorschijn te toveren.
Op camerabeelden worden alle passagiers vastgelegd, toen ook al. Alle mensen die naar de gate schuifelen, door de slurf naar het vliegtuig, bij de incheckbalies.
Daar is die groene rugzak. Die jongeman legt hem op de lopende band en kijkt hem nog lange tijd na, tot-ie door de flappen verdwijnt.
Ik zweet als een otter. Het lijkt op koorts. Dit moment zo vlak voor de klap die voor ons allemaal het einde zal zijn, bestaat uit een seconde, nog een seconde, nog een.
Ik tel.
Ik tel af naar de grote knal. Ik sluit mijn ogen.
De moeder met het Twentse accent vertelt haar zoontje dat er in Ierland geen slangen voorkomen.
Ik zie nieuwskoppen voor me, de volgende dag. Een foto, de zee, brokstukken. Een zwarte doos.
Stills van de man die zijn rugzak in het vliegtuig probeert te krijgen. Onbezorgd, dan nog wel.
Een stewardess vraagt of ik iets te drinken wil. Ik zie er niet zo best uit.
Nee hoor, het gaat wel.
U lijkt het warm te hebben, zegt ze. Ik zie het aan uw voorhoofd. Een koelend doekje misschien?
Het trekt wel weg.
Die vriendelijke vrouw, van mijn leeftijd. In een groene rok, wit overhemd met sjaaltje. Hoedje. Ze vliegt vast dagelijks naar Dublin en weer terug, misschien wel twee keer op een dag. Routine, maar toch altijd spannend.
Ze heeft een vriend thuis, die op haar wacht. Die weet dat vliegen spannend is, want de kans bestaat dat onnozele reizigers blauwe gasflessen inchecken die er bij de controle bij de scans doorgeen glippen en eenmaal in de koude atmosfeer hoog komen land of zee veranderen in bommen.
Ik heel kalm door mijn neus in te ademen maar wat er gebeurt: ik hou mijn adem in en krijg het nog warmer.
Toch maar zo’n koelend doekje?
Goed.
Mijn toenmalige vriendin heeft dromen. Ook zij. Van een gezin, van een huis, van een lang leven samen in een rustige buurt.
Ik heb de neiging haar hand vast te pakken omdat we dan op dat beslissende moment nog iets aan elkaar kunnen hebben.
Dat doe ik niet. Ik laat haar en alle andere mensen tijdens deze noodlottige vlucht in de waan. Niet weten is beter.
Ik hoor kinderstemmen. Al vroeg vertrokken uit Twente. Even geen school, even op reis met papa en mama naar een mysterieus land waar het weliswaar soms kan regenen, maar toch. Spannende reis.
Het duurt nu wel al een eeuwigheid. Geen kaartje op een scherm dat de locatie aangeeft, maar ik weet dat de vlucht anderhalf uur duurt, en we zijn al zeker drie kwartier onderweg.
Bij het dalen zal de gasfles pas echt veranderen en alles uit elkaar doen spatten. Boven Engeland. Het zoeken naar de lichamen van de passagiers zal daar plaatsvinden, waar ze links rijden en een andere taal spreken en een ander systeem van registratie hanteren, allemaal moeilijkheden voor mensen uit Twente, nabestaanden, mijn familie.
Mijn vader wenste me nog een fijne vakantie, aan de telefoon.
Dank je wel, komt vast goed.
Ik was van plan naar Cork te gaan, naar Bantry, naar de baaien en misschien nog die eilanden aandoen. Galway in de laatste week.
Terugvliegen vanaf Shannon was mogelijk.
Zoeken naar campings, de Rough Guide zat ook in mijn rugzak, op een plek waar ik er makkelijk bij kon.
We dalen.
We storten neer, eindelijk.
Een extra nieuwsuitzending. Tussen Engeland en Ierland is hedenmiddag een passagiersvliegtuig dat vanaf Schiphol vertrok in zee gestort. Aan boord waren 179 passagiers. De bestemming was Dublin.
Er is blijkbaar koffie uitgedeeld want de stewardessen halen afval op. Ik heb niks gezien. Had ik mijn ogen dicht? Heb ik geslapen?
Het is niet meer zo warm.
Mijn rugzak is vast achtergebleven in Amsterdam. Gepiep bij de bagageband, bij de controle. Grote bom, die kan niet mee.
Ik zal kleren moeten regelen, een tandenborstel. Slapen kan wel in hostels en misschien kunnen we in Ierland een tentje aanschaffen. We zien wel.
Ik ben blij dat ze het ontdekt hebben. Dat moet haast wel. Zal ik nog vragen om een bekertje koffie? Ik durft niet.
We dalen nu sneller. We gaan het halen. Kolere, wat een opluchting. Ik adem weer.
Er wordt omgeroepen dat we ons klaarmaken voor de landing. Gordels vast. Hoe is het mogelijk?
Mijn toenmalige vriendin naast me wordt wakker. Ze vertelt dat ze gedroomd heeft. Van een huis.
In Ierland zullen we huizen zien. Misschien is dat iets voor ons, een plekje ergens aan de Westkust. Met een pub in de buurt waar ze Guinness schenken, of Kilkenny, en waar je Irish stew kunt krijgen voor weinig.
Prepare for landing.
De stewardessen zitten op de klapstoeltjes, het gaat allemaal goed. Haar vriend kan gerust zijn. Hij zal bellen: Is het goed gegaan? Zoals hij altijd doen.
Ja hoor, het is allemaal goed gegaan. Vliegen is de veiligste manier van reizen.
Het landingsgestel is uitgeklapt en de wielen raken de grond en ik heb de neiging te applaudisseren en te juichen, maar ik hou me in.
Ademhalen is genoeg.
We zijn er. Niet veel later staan we bij een bagageband en zullen we ontdekken dat mijn tas helaas in Amsterdam is achtergebleven. Wat jammer, wat onhandig.
Ach, we redden het wel. We hebben elkaar en de zon schijnt vandaag in Dublin, en we kijken wel. Dank voor uw zorgen.
Precies als ik woorden zoek die de mensen om me heen gerust moeten stellen zie ik de rugzak van mijn toenmalige vriendin op de lopende band vallen, door de flappen heen, meteen gevolgd door mijn groene rugzak.
Daar is-ie. Met de gasfles.
Kan dat ding hier alsnog ontploffen? Kan ik dat complete kooktoestel niet beter ongezien in een vuilnisbak laten glijden?
We pakken onze tassen, lopen naar de uitgang. We hebben alles. Het was een korte reis, en inderdaad schijnt de zon in Dublin. Met de bus gaan we naar de stad.
In het eerste hostel, aan de rand van het centrum van Dublin, vergeet ik de volgende dag de blauwe gasfles in te pakken, tenminste, dat vertel ik mijn toenmalige vriendin als we al helemaal diep in de binnenlanden zitten, in een veilige bus in de buurt van Cork.
Zonder kooktoestel komen we die zeventien dagen door.