Een dag na mijn boekpresentatie werd mijn verstandskies getrokken. Het waren twee momenten in mijn agenda die week waar ik ongeveer op dezelfde manier tegenop zag, en in beide gevallen was ik blij dat het allemaal weer voorbij was.
Zo’n boekpresentatie lijkt een mooi moment, het vieren van je werk, maar op het moment zelf heb je voor niemand tijd, en er zijn alleen maar leuke mensen waar je liefst veel tijd voor hebt. Dat is moeilijk. Het voelt alsof je iedereen teleurstelt. Daarbij krijgen de mensen die er niet bij kunnen zijn gedurende die dag veel meer aandacht, want zij sturen afmeldingen, en dat waren er die dag een stuk of zes en daardoor voelde ik dat ik een feestje had georganiseerd waar niemand naartoe wilde komen.
Lastig dus, en ik was nerveus want ik moest over mijn thriller praten en ik kon niet begrijpen dat mensen graag naar zo’n verhaal komen luisteren. Iedereen zat stil en aandachtig op zijn stoel, het leek best soepel te verlopen, maar ik keek vooral naar de klok die Thomas Heerma van Voss, die me interviewde, op tafel had gelegd. Op naar het einde.
Ik had van alles voorbereid. Tenminste, ik was van plan iets te zeggen over de thriller van Arnaldur Indridason die ik op dat moment aan het lezen was, waarin de vergelijking wordt gemaakt tussen verdwijnen en zelfmoord. Dat laatste is ook een soort verdwijnen, zegt de hoofdpersoon. Als een personage in een auto verdwijnt, waarschijnlijk zelfmoord, en nooit wordt teruggevonden, de auto ook niet, staat er: ‘Heeft die auto soms ook zelfmoord gepleegd?’
Dat vind ik bijzonder treffend geschreven. Een heel mooi zinnetje. Dat soort proza heeft me aangezet tot het maken van deze thrillers, maar tijdens de presentatie kwam ik er niet aan toe. Ik vertelde over de polder waar ik vandaan kom, over de manier waarop de mensen elkaar daar begroeten.
In de tandartsstoel, bij een jonge tandarts die heel zorgvuldig werkte en goed uitlegde wat er ging gebeuren, keek ik niet op de klok maar dacht ik aan die avond ervoor. Aan de mensen die er waren en waar ik amper mee kon praten. Dat moest ik dus allemaal nog inhalen, de komende tijd.
Ik dacht aan het derde deel van de thrillerreeks, waarin de zoon van de beste vriend van mijn hoofdpersoon Erik Rappel valt voor een meisje uit de stad en in de drugstoestanden verzeilt raakt. Op tv zag daar een programma over Tygo Gernandt praat met verslaafden die flakka gebruiken. Precies dat soort zooi komt de polder in, en dus moet er iets gebeuren.
De tandarts vroeg om een tang. Hij had een tijdje zitten zagen en harken, ik voelde er niks van, mijn kaak was verdoofd. Hij haalde mijn kies eruit. Er zat bloed aan. Daarna hechtte hij de wond. Dat was moeilijker, hij kon er maar lastig bij. Toen was alles klaar.
Die ochtend had ik mensen gemaild die bij de presentatie waren, appjes gestuurd, bedankjes. Dat voelde als een goedmakertje. Ik was die avond vooral blij toen we naar huis fietsten. Mijn zoontje van negen achterop bij mijn vriendin. Het was heel donker. In de stad zei mijn zoontje over dit deel van de stad, Zuid: Ik voel me hier helemaal niet op mijn gemak.
Bij ons in de buurt was het rustiger en voelde hij zich beter. Alleen was die Plesmanlaan zo eindeloos lang en donker.
De volgende dag fietste ik alleen van de tandarts naar huis. Ik klemde een gaasje in het gat dat de verstandskies achtergelaten had. Ik voelde niks, dat zou nog wel komen.