Keyser Söze was het niet

omslag tirade kort verhaal in Tirade 433, april 2010 (fragment)

Omdat ik alles gezien had mocht ik me een paar weken later als getuige melden. Of ik iemand zou willen komen herkennen op het bureau in de Pieter Aertszstraat.

Dat wilde ik wel.

Dus fietste ik naar het bureau en werd een kamer ingeleid waar achter een donkere glasplaat een Marokkaanse jongen stond, heel iemand anders.

Ik zei: Dit is hem niet.

Ik kon weer vertrekken. Ik liep naar buiten. Op datzelfde moment werd de Marokkaan vrijgelaten. Hij liep achter me aan naar de deur. Ik hield de deur voor hem open. Toen stonden we op straat.

Ik zei: Ik moest jou herkennen, maar je was het niet.

Hij zei: Natuurlijk was ik het niet.

Ik zei: Je voldoet waarschijnlijk aan het signalement.

Hij zei zoiets van: Dat moet dan wel.

Gebeurt je dit vaker? vroeg ik, want op zo'n toon praatte hij, dat hem dit vaker gebeurde.

Ja, zei hij. Dit is de negende keer dat ik in die kamer gestaan heb.

We stonden nog even op de stoep. Hij hield zijn handen in zijn broekzakken. Hij had een pet op en keek me aan, onder de rand van de klep door.

Toen hij weg wilde lopen zei ik: Mijn pa ligt in het ziekenhuis.

Jouw pa?

Ja, daarvoor was ik hier. Ze hebben hem het ziekenhuis in getrapt. Mijn pa.

Ik was het niet, zei hij en hij drukte zijn handen dieper in zijn broekzakken. De klep van zijn pet ging omlaag.

Ik zei: Ik zeg het je maar. Ik zeg je gewoon wat er gebeurd is.

Hij zei: Klote voor je pa.

Even zwegen we. Toen zei ik: Ik had gewoon kunnen zeggen dat jij het was.

Hij keek me aan en zei: Maar dat heb je niet gedaan.

 

 

 

En ze reden verder...

omslag tirade artikel over Cormac McCarthy in Tirade 429, augustus 2009 (fragment)

Tien jaar geleden vond ik in een huurwoning op de derde etage in de Amsterdamse Vrolikstraat een stevig pocketboekje met op de cover een cowboy te paard, een cactus en een ondergaande zon. Ik sloeg het open, las de eerste regels en – heel belangrijk – de laatste regels, ik leende het boek van mijn schoonzus en zwager die daar destijds woonden, en las het die avond en de volgende dag direct uit. Het was de vertaling van Cormac McCarthy's All the pretty horses.

Als ik dit boekje met het kitscherige omslag in tweedehands boekwinkels zie staan, meestal voor twee of drie euro, dan moet ik mezelf er echt toe zetten het niet te kopen, want ik heb nog een hele stapel liggen en tot een paar jaar terug deelde ik het uit aan mensen waarvan ik dacht dat ze er iets aan konden hebben. Het originele exemplaar ligt momenteel in Auckland, Nieuw Zeeland, waar mijn schoonzus, zwager en hun kinderen nu wonen. Twee keer ben ik bij hen op bezoek geweest, met mijn eigen gezin, en ook al was het een familiebezoek, niet lang na aankomst stond ik voor hun boekenkast om deze pocket te zoeken, en was ik werkelijk bang dat het boek verdwenen was. Ik vond het beide keren, sloeg het open, rook eraan en heb het beide keren dat ik in Nieuw Zeeland was gelezen.

De jonge cowboy John Grady Cole besluit in All the pretty horses zijn in verval geraakte ouderlijk huis vaarwel te zeggen en trekt de grens over naar Mexico, waar het echte cowboyleven nog te vinden is, waar hij verwikkeld raakt in een tedere maar onmogelijke liefde en waar blijkt dat het oude cowboyleven hard en meedogenloos is. McCarthy beschrijft deze John Grady heel summier. Hij is jong en mager, zijn kleren zijn sjofel, hij draagt een hoed en zijn snorretje is vlassig. Verder weet de lezer niets van hem, en toch kun je op iedere bladzijde precies voelen wat er in deze jongen omgaat.

Hoe kan een schrijver op zo'n effectieve en tegelijkertijd indirecte manier gevoelens overbrengen? Dat mysterie wilde ik doorgronden.

 

 

 

Altijd honger

omslag tirade kort verhaal in Tirade 425, oktober 2008 (fragment)

Hij zit aan de waterkant net voorbij de brug en hij kijkt naar zijn dobber en wacht. Het water is vlak. Het riet aan de overkant staat recht en stil in de oever. Van de dobber is alleen het oranje puntje te zien.

Ik moet er een kleiner loodje aan doen, denkt hij. Een van die dikke brokken eraf knijpen en een kleinere eraan doen. Ik word godver scheel zo.

Dat dacht hij de vorige zondag ook, en die week daarvoor ook.

De dobber beweegt. Hij houdt zich stil, er gebeurt niets.

Hij gaat verzitten. Er knispert iets in de kontzak van zijn broek. Hij tast en haalt er een wikkel van een Snickers uit. Hij denkt: King size. Godver.

Hij heeft de reep eergisteren gekocht bij het wegrestaurant aan de snelweg. Het meisje achter de kassa verkocht hem gewoon dat ding, ze keek niet zoals Vera kan kijken en de mensen hier bij de supermarkt. Niemand die zegt: Gaat goed hè.

Of: Is het vol te houden?

Of ze vragen wanneer het op TV komt.

En Vera die dan begint te praten.

Van ja hoor het gaat prima. Het is goed te doen en zo. Het valt reuze mee. Echt.

O ja, in het nieuwe seizoen pas. Dat neemt allemaal nogal wat tijd.

Godver.

Hij ruikt aan de verpakking. Zijn maag draait om.

Ik kan er ook dat andere tuig aan doen. Met die blauwe dobber.

Hij gooit de wikkel in het gras en haalt de hengel op. Het bolletje witbrood hangt nog aan de haak. Misschien iets dieper. Hij laat het tuig naar zich toe vieren, pakt het net boven de haak bij een van de loodjes vast en schuift de dobber een stukje naar boven.

Pinda's en caramel. Ik geloof dat het caramel heet, die troep. Blijft aan je tandvlees plakken. Net als een Mars.

Hij at de Snickers in de auto, op de rechterbaan, hield af en toe zijn ogen dicht. Het was heerlijk.

Er zit een groene sliert aan de onderkant van de dobber. Iets van een plant. Lijkt wel wier. Hij haalt het weg en wrijft zijn hand af aan zijn broek. Hij gooit de hengel uit en kijkt.

Na een tijdje wordt de dobber met korte schokjes naar beneden getrokken en de dobber veert terug en kringen verspreiden zich over het water van het kanaal. Hij verschuift de hengel in zijn handen, verschuift ook zijn voeten. De hoge viskoffer waar hij op zit kraakt onder het gewicht van zijn lichaam.

Als de dobber een flinke schok krijgt haalt hij op. Hij voelt geen weerstand en de haak komt boven water zonder vis, zonder aas.

Godver hij is weg.

Hij haalt het tuig naar zich toe, pakt het in zijn rechterhand waar hij ook de hengel mee vasthoudt en met zijn vrije hand graait hij in de broodzak. Hij trekt een pluk witbrood los, spuwt in zijn hand en wrijf een bolletje tussen zijn duim en wijsvinger. Hij steekt het aan de haak.

Het brood is gisteren door Vera gekocht bij de bakker. Niet bij de supermarkt, bij de bakker in het dorp. In een papieren zak. Het ruikt lekker.

Hij vouwt de plasticzak dicht en gooi de hengel weer uit. In de verte achter de griend ziet hij de wieken van de molen stil tegen de wolkenlucht en als hij naar de brug kijkt ziet hij aan de andere kant van het kanaal de roodbonte koeien staan die hier vorige week ook al waren. Ze kijken naar hem.

De dobber beweegt eventjes, dan ligt hij stil in het water. Hij haalt op, gooit weer uit.

De lucht in het oosten wordt lichter. Een strook blauw verschijnt boven de bomen en in dat blauw zal straks de zon verschijnen en dan is het afgelopen hier. Dan kan ik alleen nog aan de andere kant gaan zitten, in de schaduw van de griend. Waar de muggen zitten. Waar Bennie vorig jaar vast kwam te zitten met zijn laarzen, vast in de modder bij het riet. Dat krijg je ervan. Niet weten wat-ie doet met dat vette frietlijf van hem, en dan stap je altijd verkeerd.

De dobber wordt naar beneden getrokken. Hij geeft een ruk aan de hengel en voelt dat de lijn gespannen wordt.

Hebbes.