Net een dorp
kort verhaal voor De Gids, maart 2008 (fragment)
Hij zit op de achterbank van de auto. Haar vader stuurt de auto een rotonde over, daarna een ruime bocht door, de dijk op, langs geparkeerde auto's die de weg smal maken. Tussen dijkhuisjes door die zo dicht aan de weg staan dat de dakgoten boven het asfalt hangen. Zij zit naast haar vader, haar knieën naar het portier gebogen, haar achterhoofd tegen de hoofdsteun, haar blonde haar steekt in plukken door de opening in hoofdsteun. Er zitten vlekken in haar hals.
Haar vader zegt: Zijn jullie met dezelfde trein gekomen?
Hij wacht tot ze ja zegt. Heel zachtjes.
Dat jullie mekaar daar treffen, hè. Op zo'n groot station.
Nu zegt hij ja, en haar vader kijkt over zijn schouder en zegt: Amsterdam is toch net een dorp.
Ze rijden het dorp voorbij en volgen de dijk. Bij het tweede kruispunt stuurt haar vader de auto linksaf een weggetje op waar een spoor van suikerbietenloof en modder op het asfalt ligt.
Wij hebben haar een keer verhuisd, zegt hij, in Amsterdam. Helemaal van dat huis in West naar waar ze nu woont, en toen we daar buiten stonden met de aanhanger en met die spullen zo midden op straat, liepen er mensen voorbij, en die zeiden bijna allemaal gedag. Net als hier.
Ja, zegt de jongen.
Eerst dacht ik dat het daar zo massaal was, of hoe zeg je dat? Zo anoniem. Maar dat valt best mee, want als je daar een paar keer geweest bent dan kom je op straat steeds dezelfde mensen tegen en dan kennen ze je nog ook.
Hij zet een voet op de verhoging tussen de twee stoelen.
Die mensen van de snackbar bij haar in de straat, zegt haar vader, die zwaaien altijd naar me. Dat zijn Egyptenaren, geloof ik.
Op de achterbank liggen een paar kranten en een doos met een verlichtingsset, voor in de tuin. Er staat een Duitse tekst op. Hij denkt aan de smalle steeg en aan haar ogen, aan haar donkergemaakte wimpers die een moment omhooggingen toen ze hem zag en haar oogleden die een paar keer knipperden, voor ze verdween.
Ze heeft hem herkend, toen. Ja, ze heeft hem herkend.
Ze rijden langs het huis met de melkbus ervoor die als brievenbus dienst doet.
Daar moet ik er toch af? zegt haar vader.
Hij kijkt naar buiten. Hij ziet de boerderij van de buren en aan de andere kant van het weggetje de kippenschuren met de betonnen oprit.
Ik loop dat laatste stukje wel, zegt hij.
O, het is goed hoor, zegt haar vader. Ik ben nou toch aan het rijden. En hij rijdt het smalle weggetje in dat uitkomt bij de boerderij.
Ze zijn met de suikerbieten bezig, zegt hij.
Ja, zegt haar vader. Kolerezooi altijd. Daar hebben jullie geen last van, denk ik. In Amsterdam.
Hij zet de auto naast de haag. Hij stapt uit, houdt het portier vast en bukt zich om hen gedag te zeggen. Ingrid kijkt hem niet aan. Haar vader zegt: Nou, tot kijk hè.
Ze zegt alleen: Dag.
Zie ik je morgen? vraagt haar vader vlak voor hij het portier dicht drukt.
Goed.
We moeten tegen Oranje Zwart.
Ik kom morgen wel.
Die staan derde. Die zijn goed.
Tot morgen.
Hij gooit het portier dicht. Haar vader steekt zijn hand op en hij kijkt hoe de man de auto keert op de oprit voor het huis. Hij drukt een keer op de claxon en rijdt terug naar de provincialeweg die over de dijk loopt. Het raampje waar ze achter zit draait langs. Ze heeft haar ogen neergeslagen.
Veertien april
kort verhaal voor De Gids, oktober 2007 (fragment)
Wat er aan vooraf ging was amper een ruzie te noemen. Een paar bekende woorden die over het bed vlogen.
Hij zei: Je houdt je kop.
Zij zei: Nee. Nee. Nee.
Hou je kop.
Mijn moeder komt zo thuis.
Die komt nog lang niet.
Ze wist dat hij aan zou dringen. Dat hij zou krijgen wat hij wilde. Ze wist dat hij een pistool had en dat hij het zou gebruiken als dat nodig was. Toch riep ze nog een keer.
Hij liep naar de kast.
In feite had ze hierop gewacht.
Hij pakte het pistool uit de la waar de kleren van haar moeder op stapeltjes lagen. Het pistool lag gewichtloos in zijn handen en toen hij het dofzwarte wapen tegen haar slaap drukte zag ze in zijn ogen een donkere blik die zijn donkere huid grijs maakte.
En toen kwam haar moeder door de achterdeur het huis binnen. De hordeur klapte tegen de gieter, die van de veranda viel, en door dat geluid veranderde alles. Opeens die knal vlakbij haar oor, in het binnenste van haar oor, zo leek het. Het geluid drong door tot in de kleinste vezels van haar lijf. En er was nogmaals een knal, heel ver weg.
Ze ademde, verrassend licht. Al die tijd had ze haar ogen open. Eerst zag ze alleen zijn tanden en het wit van zijn ogen, toen de deur naar de keuken, toen viel ze en zag ze dat haar moeder op de keukenvloer lag, tegen de koelkast. Haar hand met de vingers gespreid in de lucht. Ze zakte in elkaar, door haar knieën, steunde op een stoel.
Weer dat geluid van de hordeur. Hij was weg.
Er liep klam vocht langs haar hals. Ze legde haar hand erop en voelde het bloed. Ze wilde het haar moeder laten zien, ze wilde zeggen: Mam, ik bloed. Maar ze kon niets zeggen. Tot er vanuit haar keel een gil omhoogschoot en ze op de grond zakte. Pijn voelde ze niet. Ze lag op de houten vloer, omgeven door een vreemd soort stilte, alsof er iets van haar weggenomen was.
Ze voelde het bloed langs haar hals kruipen, langs haar schouder. Er vormde zich een plas op de vloer. Ze dacht eraan een dweil te pakken.
Ze bewoog haar hand over het hout, door het bloed, door het vuil dat op de vloer lag. Ze dacht: Ik had de vloer eerder al moeten dweilen. Of het zand weg moeten vegen. Wat zijn die korrels? Grof zand? Grind van de oprit dat in de gleuven van zijn schoenen is blijven steken?
Toen raakte ze haar gezicht aan. Haar vingertoppen streken over een botsplinter.
Na lange tijd klonk er een sirene, het geluid werd hoger en hoger, stopte toen. Weer het geluid van voetstappen, nu in haar richting, de achterdeur. Geen klap van de deur nu. Toen een tijdje niks, alleen een zucht en daarna vanuit de verte het geluid van een radio, van stemmen die praten op de radio.
Ze had haar ogen gesloten. Ze kon alleen de ademhaling van de man horen en zijn voet die over het hout schoof. Toen bewoog ze haar hand en probeerde ze een geluid te maken. Heel zacht. De man hoorde het, knielde naast haar en begon te praten. Hij legde een hand tegen haar achterhoofd. Hij sprak zacht tegen haar en tegelijkertijd vloekte hij, meisje, meisje toch. Alsof hij wist dat ze het zou redden en niet vloekte om wat er gebeurd was, maar omdat ze nog leefde.